Laura woont in het prachtige Victoria, de hoofdstad van British Columbia. Laura is een dame halverwege de tachtig en besloot vanmorgen, nog op het frisse uur, de stad in te gaan. De eerste strepen zon kropen door de straten dus ze besloot haar jas thuis te laten. Lopen viel nog niet mee, maar eenmaal achter de rollator werd de pas alsmaar steviger.
De rollator en de strepen zon trokken Laura naar de hoek van Fort- en Government Street in downtown Victoria. Haar stevige stappen en het feit dat ze aan de zonzijde van de straat liep maakte het voor Laura al snel een aangename wandeling. De oude vrouw sloeg vastberaden linksaf.
Government Street bood haar een breed voetpad langs Munro Bookstore en Murchie’s, het koffiehuis dat haar bekend voorkwam. Een flinterdunne herinnering aan een ontbijt met haar man deed haar even stilstaan. Ze werd een geur van regen gewaar die haar in de war bracht. Hoorde die regen bij de herinnering of begon het op deze stralende dag opeens te spetteren? Ze liep verder. Lopen maakte aan iedere vraag een einde.
Toen ze het drukke Yates Street had bereikt leek het haar geen goed idee om de oversteek te wagen. Ze draaide de rollator om en liep de weg terug langs Murchie’s, nu aan haar rechterhand, waarbij ze even inhield toen ze de geur van verse koffiebonen rook. Het bracht haar een moment terug naar een pleintje in Oaxaca in Mexico maar dat deed er nu niet toe want een scheve tegel maakte dat er een horde moest worden genomen. Ze duwde zichzelf over de tegel terug richting Fort Street. Ook daar kroop het verkeer omhoog. Oversteken links of rechts? Treuzelen had ze haar hele leven niet gedaan dus deze keer ook niet. Oversteken was geen optie met al dat verkeer dus omkeren die rollator! Het ruime voetpad op Government Street leek haar uit te nodigen voor een fijne wandeling. De boekenwinkel links, met het wonderschone plafond, deed haar denken aan een boodschap die ze niet mocht vergeten want haar man las graag een krantje bij de koffie. De herinnering maakte Laura warm van binnen toen ze juist op dat moment langs het chique Murchie’s liep. Daar kon je pas lekker koffie drinken! Ze probeerde zich de boodschap die ze moest doen te herinneren maar een jongeman met een telefoon aan zijn oor versperde haar de weg. Hij was zo druk in gesprek dat hij Laura niet opmerkte. Laura op haar beurt had de tijd dus besloot even te wachten. Door het raam van Murchie’s zag ze een jong stel zitten die enkel oog voor elkaar hadden. Even herkende Laura zichzelf in het meisje maar de excuses van de bellende knul die voor haar rollator stond maakte dat ze weer een duw aan de dag gaf. Richting Yates Street.
Er was voor Laura geen doorkomen aan op Yates Street dus het beste wat ze kon doen was terug gaan. Toen ze langs het koffiehuis Murchie’s liep werd ze door een alleraardigst meisje aangesproken. Het meisje droeg een zwart schort waarop in sierlijke gouden letters Murchie’s stond gestikt. Het meisje nodigde Laura uit om het koffiehuis binnen te gaan. Lijdzaam volgde ze de jonge meid naar binnen. Zou haar man daar binnen zitten soms, vroeg Laura zich af. Het meisje wilde dat ze aan een leeg tafeltje kwam zitten en vroeg of ze misschien trek had in een glas water. Laura moest even wennen aan de nieuwe omgeving, waardoor ze de vraag over het water inmiddels vergeten was. Ze zag nog net hoe het meisje achter de toonbank verdween. Aan het tafeltje rechts van haar zat een jong stel met een broodje en een kop koffie. Ze waren duidelijk verliefd. Even verscheen er een glimlach op het gezicht van Laura. Toen vroeg ze zich af met wie ze eigenlijk had afgesproken. Het feit dat ze het niet meer wist maakte haar onrustig. Hoe lang zat ze nu al te wachten? Laura bedacht dat ze maar beter kon vertrekken. Omdat ze niet meer wist waar ze Murchie’s precies was binnengekomen, liep ze helemaal door naar achteren. Het moest die openstaande lift helemaal achterin zijn geweest, waarmee ze binnengekomen was. Anders wist ze het ook niet. Ze duwde haar rollator de lift in en drukte op de lichtgevende nul. De liftdeur sloot zich vlot en opende zich een verdieping lager. Voor zich zag Laura een klein gangetje met toiletten. Laura moest helemaal niet plassen dus ze wist niet precies wat ze hier deed, maar toen ze de openstaande deur aan de andere kant van het gangetje zag, en de straat erachter, was het verder een ABC-tje.
Ze stond weer in het zonnetje, maar waar? Ze was nu in het lagergelegen Langley Street maar daar had Laura geen weet van. Ze begon met lopen. Dat bracht haar altijd verder.
Op Fort Street besloot ze met het zonnetje mee omhoog te lopen richting Government Street. Op de hoek aangekomen werd ze getrokken door het mooie en brede wandelpad aan de linkerkant. Ze moest van zichzelf een beetje voort maken. Haar oog viel al snel op een wonderschone boekhandel die ze passeerde. De etalage had een statige uitstraling die haar heel even aan haar man deed denken. Ze zag ‘m plotseling in trouwkostuum voor zich lopen en besloot hem te volgen richting Yates Street.
Voor het luxe koffiehuis Murchie’s, werd ze door een meisje aangesproken. Ze werd vriendelijk uitgenodigd om het koffiehuis binnen te treden. Even zocht ze contact met haar man aan het einde van de straat maar die was waarschijnlijk bij Yates de hoek al om gelopen. Hij zal vast wel weten dat ze bij Murchie’s op ‘m wacht.
Laura werd aan een tafeltje gezet en kreeg een glas water. Het vriendelijke meisje kwam even bij haar zitten en vroeg haar naam. Ze vertelde haar dat ze Laura heette. Haar achternaam moest ze voor het koffiemeisje spellen. Laura koos voor haar meisjesnaam. Het meisje schreef alles op een papiertje. Ze bleef maar vriendelijke vragen stellen. Ze wilde vooral weten waar Laura woonde en waar ze naartoe moest. Laura gaf daar geen antwoord op. Wat deed het er ook toe. Ze zat even op haar man te wachten. Hij was er op uit voor een boodschap en kon ieder moment terugkeren. Het meisje leek tevreden met het antwoord en verdween weer. Laura zag even later dat het meisje stond te bellen. Precies op dat moment begon Laura zich af te vragen hoe ze Murchie’s eigenlijk binnen was gekomen. Achter, in het verlengde van de toonbank zag ze een lift. Zonder nadenken stond ze op en zette koers richting de lift. Even later drukte ze op een gloeiend rode nul. Toen de liftdeur zich, na het afdalen, voor haar opende stond ze bij de toiletten. Ze had helemaal geen aandrang. De openstaande deur aan de andere kant van het gangetje bood uitkomst. Even draaien en hup, ze stond buiten. ‘Wat een heerlijk zonnetje’, dacht Laura, en ze besloot een stukje te gaan wandelen. Ze liep in de richting van Fort Street. Daar bleef ze het trottoir volgen, omhoog richting Government Street. Een politieauto passeerde haar rechts op Fort Street en vanuit het verlengde van Government Street zag ze een politiebusje voor het stoplicht staan. Nieuwsgierig geworden van de aanwezigheid van zoveel politie besloot ze ook linksaf Government Street in te gaan. De politieauto stopte vlak voor een boekenwinkel en het busje stopte eventjes verder voor een koffiehuis met de naam Murchie’s. Laura versnelde haar pas enigszins om niets te missen van het aanstaande politieoptreden.
Er was iets met een van de meisjes van Murchie’s want zij werd door twee agenten aangesproken. Toen het drietal Laura in het oog kreeg liepen ze op haar af. Laura vroeg zich af of ze de agenten van dienst kon zijn maar kon niet bedenken hoe. De agenten waren buitengewoon vriendelijk en wisten zelfs haar naam. Dat was vast omdat ze haar man kenden want die zat immers bij de vrijwillige brandweer, waar hij ook zo’n pak droeg met van die epauletten op z’n schouders. Waar ze woonde wilden ze weten. En waar ze naartoe moest. De agenten waren zo vriendelijk aan te bieden om haar eventueel te brengen. Ze kon in het busje plaatsnemen, dan waren ze er zo.
Vanachter het raam van Murchie’s zag een jong stel hoe een demente vrouw met haar rollator door twee agenten een politiebusje in geholpen werd. Het duurde even voordat de agenten het oude besje zover hadden dat ze meeging. Het stel hoopte vurig dat het mensje goed terecht zou komen.
Toen we bij de Thai zaten te eten (die Thai die we op de terugweg van Whiskey Creek Campground tegenkwamen), werden we geholpen door een jongetje van pakweg 11 jaar. Hij heette ons welkom en liet ons door zijn slechtlopende opa naar een vrij tafeltje brengen. Even later kwam hij de drankjes opnemen. Opa zette stilzwijgend een kan water op tafel. De vader van de jongen deed samen met zijn oma de keuken. Zijn opa (hij sprak geen woord Engels) nam louter tafels af en vulde het water waar nodig met een glimlach aan. De moeder van het kereltje sprak ook enigszins Engels dus werkte naast hem in de bediening.
Dat jongetje was de enige van de familie die vloeiend Engels sprak en had daardoor een belangrijke rol in het familiebedrijf. Het joch bleek daarnaast een sfeermakertje en een ouwehoer eersteklas. Zeer on-Aziatisch. Ik schat in dat de vrijheid die hij zich permitteerde werd ingegeven door de voorsprong die hij had vanwege zijn taalbeheersing. Waar moeder en opa zeer formeel en hoffelijk waren tav de gasten, was de kleine knaap dit niet. Hij liet het dienblad op z’n vinger draaien, knoopte gesprekjes aan vanuit het niets en liet het duidelijk merken als hij zijn tengels brandde aan een warm gerecht (hij liet ons de drie verbrandde vingers van dichtbij zien).
Het jong eigende zich overduidelijk een vrije rol aan binnen dit Aziatische gezin. Achter de klapdeuren van de keuken werden pogingen gedaan het gedrag van de jongen te corrigeren maar zodra de keukendeur achter ‘m sloot, wist de jongen zich onaantastbaar op het speelveld van de eetzaal. Het gebabbel begon vrijwel direct, en de trukendoos ging weer open (vaatdoek ging de lucht in terwijl hij de spuitbus met schoonmaakmiddel liet balanceren op de rug van zijn andere hand).
Los van deze aanschouwelijke generatiekloof was het eten erg lekker en om mijn portie kip zoetzuur perfect af te toppen besloot ik een lekker Singha biertje te bestellen. Mijn ogen zochten de jonge knaap. Hij stond een tafel schoon te wrijven terwijl zijn moeder hem woorden influisterden. De woorden leken de jongen te vervelen. Hij beantwoordde ze op zeurderige toon. Zijn blik vatte pas weer vlam toen hij zag dat ik hem vragend aankeek. Terwijl moeder nog op hem insprak maakte hij een ga-aan-de-kant-beweging en spoedde zich naar onze tafel. Zijn moeder droop af naar de keuken.
“What can I do for you guys? Can I take your plates”, begon de knul proactief. Ik zei hem dat dat in principe kon maar dat ik ook graag een flesje Singha bier lustte. “Ohhhhh, I have to get my mother than”. Hij klonk teleurgesteld. Niekie en ik keken elkaar even vragend aan, de jongen zag onze blikken van onbegrip. Hij legde ons haarfijn uit dat hij mijn bestelling niet mocht doorgeven aan de keuken want dat zou feitelijk betekenen dat hijzelf bier bestelde. Aangezien hij minderjarig was, was dit verboden volgens de Canadees wet. Hij moest dus eerst zijn moeder halen zodat zij mijn bestelling kon opnemen en doorgeven aan de keuken.
De jongen kon nog niet helemaal zonder zijn moeder.
Na de welverdiende rustdag ging de tent weer in de fietstas en begonnen we de dag met een snelle afdaling richting de Gas ’N Go. De dag beginnen met een sloot koffie is hoe het hoort. Een sandwich met een halve kalkoen vult de buiken en doet dienst als bodem voor een dag stevig doorfietsen. We hadden onze zinnen gezet op Coombs Campground; een camping met een rodeo, een meer en een zwembad. Alles wat wij nodig hebben is een stukje grond waar de haringen in kunnen, water, toilet en een douche.
Door schade en schande wijs geworden besloten we in Parksville een simkaart te kopen. Bellen en internet binnen handbereik, en op ieder gewenst moment, beperkt ongetwijfeld de misverstanden.
Het fietsen gaat lekker. Hier en daar een heuvel, hier en daar een afdaling. Alles in een ontspannen tempo. De warmte is goed te doen. Zeiknat van het zweet als het heuvel op gaat maar weer droogwapperend als het (hard) heuvel af gaat.
Bijna hadden we Parksville gemist, zo lekker ging het. De route lag om het stadje heen en op het moment dat we de bewoonde wereld achter ons lieten stopte Niekie om de laatste afslag naar het centrum te nemen. Dat bleek een goede keuze. Niet alleen vonden we een plek met heerlijke cappuccino en broodjes, ook konden we er de gewenste simkaart met databundel kopen. Voor wie ons wil bellen, ons lokale nummer is 250-937-9716.
We besloten direct na het verlaten van de telefoonwinkel de beoogde camping te bellen om een plekje voor de dag te reserveren. Appeltje eitje. Coombs Campground had plekje No.4 voor ons vrij. Vervolgens opende we de app die ons de juiste richting moest vertellen (inmiddels Pocket Earth ipv Maps.Me. Pocket Earth is net iets sneller exacter en toont meer offline informatie, maar dit terzijde). We klikte op het tenticoontje in de app, lieten ‘m de route berekenen en vervolgde onze koers.
Toen we een paar uur later de (opnieuw) hooggelegen camping hadden bereikt bleek de receptie onbewoond. We parkeerden onze fietsen en waren blij dat we de benen even konden strekken. Ik keek wat rond, zocht een bel, en klopte op wat deuren. Geen reactie of teken van leven. De telefoon bracht uitkomst. Ik belde het laatstgekozen nummer. De telefoon ging over. Ik vroeg Nicole op te letten of ze de telefoon in de receptie kon horen overgaan. Niekie hoorde niets. Aan de andere kant van de lijn werd opgenomen. Ik had dezelfde dame van de reservering eerder aan de lijn. Ik vroeg haar waar de receptie was en vertelde haar dat ik dacht dat we er vlak voor stonden. Het was heel even stil aan de andere kant van de lijn. “Just follow the sign that says ‘OFFICE’”, antwoordde de dame van Coombs Campground op een toon die een mix van verbazing en ‘hoe moeilijk kan het zijn?’ in zich droeg. Ik vroeg haar nog of ik om het bord te zien wellicht iets verder het terrein op moest fietsen. Dit bevestigde ze. Ik hing op met de woorden “See you in a minute!”.
“Het moet iets verder op het terrein zijn, Niek”, zei ik. “We moeten een bordje met ‘OFFICE’ erop tegenkomen”. De camping was niet erg groot. Een lake zag ik 1,2,3 niet, laat staan een zwembad of een rodeo. Toen ik een stel zag dat een mega grote RV (camper) stond te wassen vroeg ik hen waar ‘the OFFICE’ was. Ze wezen ons op het receptiegebouw waar we heel de tijd op hadden staan kloppen. Ik begon te vermoeden dat er iets helemaal niet klopte!
We keken nog eens goed naar de app. Keken om ons heen. Ik vroeg Niekie of ze wist hoe deze camping heette. “Whiskey Creek Campground”, zei ze. “In Coombs?”, vroeg ik. Toen viel het kwartje bij Niek. We stonden op de verkeerde camping. Er waren er twee in deze regio die we allebei op internet hadden bekeken. De camping met meer, zwembad en rodeo had ons de beste optie geleken. Daarvan hadden we een screenshot gemaakt en die had ik ook gebeld. Op de app hadden we simpelweg de andere camping aangeklikt en waren er zondermeer naartoe gereden. Negen kilometer verder dan de camping met het door ons gereserveerde veldje 4.
“En nu dan?”, vroeg Nicole. “Terugrijden!”, zei ik. De Whiskey Creek Campground stond me niet aan en ook de omgeving had weinig te bieden dus terugfietsen leek me de betere optie.
Zo gezegd, zo gedaan.
En dat was maar goed ook! Op de terugweg viel ons namelijk een Thais restaurant op waar we die avond heerlijk hebben gegeten. Ook was er vlakbij de camping een koffietentje met heerlijke koffie en de allerlekkerste broodjes van de wereld.
Zo zie je maar. Soms moet je verkeerd rijden om het juiste pad te vinden.
Dag 1 was natuurlijk nog niet op z’n einde toen ik het eerste verhaal op de ferry schreef. Waar we dachten dat we de zwaarste loodjes wel achter de rug hadden, wil ik je even vertellen wat de eerste woorden waren toen we met de fietsen aan de hand de ferry af liepen. Een scheepsmaat in reddingsvest sprak ze vrij energiek uit: “Keep right here, guys, and straight up the hill”.
Maar als dat nu alles was?
Op het veer hadden we grofweg ingeschat dat de afstand naar de beoogde camping een kilometer of zes zou zijn. Max acht. Deze schatting kon overboord toen we fietsenderwijs beseften dat we ergens anders waren aangemeerd dan we hadden bedacht. Vanaf de nieuwe aanlegsteiger was het maarliefst 21 kilometer naar de camping. Daarbij komt dat er op Vancouver Island aanzienlijk meer heuvels zijn dan op het vaste land.
Tegen zeven uur bereikten we de plaats Nanaimo. Hier bevond zich de camping. Gelukkig waren er ook eettentjes en een supermarkt. We besloten snel wat eten in te slaan bij de supermarkt en gezien het late tijdstip gingen we een bordje eten bij Mr. Fresh Noodle. Voor mij een kip zoetzuur en voor Niekie een curry. Vooraf natuurlijk een loempia.
We genoten van de verdiende maaltijd, maar als zo vaak komt na het zoet inderdaad het zuur. Bij de (grote) camping aangekomen, wist de jongen van de receptie ons te vertellen dat op heel de camping geen tentplekje meer vrij was. Ik keek hem lachend aan en vroeg hem of hij zeker wist dat er geen enkele plek was voor een tentje van 3 bij 2 meter. Dat was er inderdaad niet, zei de jongen. “Kun je ons ergens tussen wurmen want het begint donker te worden en ik weet niet hoe ver de volgende camping is?”, probeerde ik nog. Hij was niet te vermurwen. Inmiddels liep het zweet met liters van mijn hoofd en droop samen met de (wan)hoop mijn schoenen in. De jongen ging voor ons bellen met een camping die 14 km verderop lag. Het goede nieuws was dat ze daar wel een plekje voor ons hadden. Het slechte nieuws was dat het inmiddels donker was. Fietsen in het donker is niet ideaal. Ik hing onze fietsen vol met ledlampjes en met frisse tegenzin stapten we weer op.
De weg bracht ons naar een camping aan het Westwood Lake. Een groot meer dus. Toen we in de laatste kilometers een forse berg voor ons zagen opdoemen, zei ik tegen Niekie dat ik hoopte dat we daar niet tegenop hoeften. “Nee”, zei Niekie met een stellig soort logica, “een meer ligt toch altijd laag”. Ik had niet meer de puf om de stelling onderuit te halen en legde me maar wat graag neer bij het laaggelegen meer. Niets bleek minder waar. We moesten steil omhoog tot het punt dat we alleen nog maar konden afstappen om de fietsen, en onszelf, omhoog te duwen. Wat had ik een spijt van de zes blikjes drinken en de familiepot pastasaus, de fles spiritus en de andere boodschapjes die we 14 km geleden hadden gekocht in de veronderstelling dat we niet meer hoefden te fietsen!
In het donker wisten we de tent in recordtempo op te zetten en na een warme douche (wie heeft dat toch uitgevonden) lagen we om 10 uur in ons tentje. Een minuut later waren we vertrokken.
Dag 1 met fiets en tent zat er nu echt op!
P.s. Een dag later ontdekten we dat Westwood Lake een door mensenhanden aangelegd meer is. Dit kan een reden zijn waarom de stelling van Nicole niet helemaal opging.