• info@pedalenenverhalen.nl

Een herinnering aan Canada

Een herinnering aan Canada

Dennis Aaij
Volg me
Laatste berichten van Dennis Aaij (alles zien)

Ter voorbereiding op de ‘Canadian Butterfly’, onze fietsreis door Canada, hier vast een herinnering aan een eerder bezoek aan The Great White North.

Canada. Niekie en ik waren er in 2003 en een van de eerste dingen die ik er zag was blinde paniek. Paniek in de ogen van een pompbediende.

Niekie en ik gingen voor het eerst met elkaar op reis (de reis waarbij we elkaar hebben ontmoet tellen we niet mee want toen was ik nog haar reisleider en zij een deelnemer aan een groepsreis door Centraal-Amerika). Vier weken hadden we voor de reis uitgeteld en het thema was ’bonnefooi’. Dat het thema ongelukkig gekozen was merkte we vrijwel direct toen we oog in oog stonden met de Canadese marechaussee. De Canadese marechaussee nam simpelweg geen genoegen met het feit dat twee jonge mensen vanuit Amsterdam naar Canada vlogen zonder te weten wat ze er gingen doen. Los van elkaar werden we naar twee verhoorkamertjes geleid. Wat er in het kamertje bij Niekie werd besproken zal niet veel anders zijn dan in het mijne. Er werden voornamelijk vragen op mij afgevuurd. Wat komen jullie hier doen? Hoe lang blijven jullie? Waar gaan jullie naartoe als je het vliegveld verlaat? Hebben jullie een hotel geboekt? Hebben jullie adressen van mensen die je gaat bezoeken? Enzovoorts.

Behalve de vraag over de duur van ons verblijf moest ik de geüniformeerde man alle antwoorden schuldig blijven. Wat het me daarnaast leerde was dat het woord ’bonnefooi’ geen Engelse vertaling kent, althans niet een die tot mijn vocabulaire en dat van de marechaussee-beambte behoorde. Uiteindelijk namen ze genoegen met onze, voor hen, onbegrijpelijke reisplannen en mochten we het vliegveld verlaten.

Later op de dag hadden we in het hart van Toronto een hostel gevonden en stond Niekie enige tijd, op zoek naar een plek waar ze auto’s verhuurden, te bladeren in de ’Gele gids’ van de stad. ’Ricky’s Yard’ had de klank van een plek waar de prijs van een huurauto overeen kon komen met ons budget. Ricky zelf bevestigde dit enkele minuten later via de telefoon.

We troffen ’Ricky’s Yard’ midden in een woonwijk buiten het centrum van Toronto. Naast het autobedrijf bevond zich een gitaarwinkel met een etalage vol met de allermooiste fender stratocasters en gibson les pauls’ die je je maar kunt bedenken. De huurprijs van een van Ricky’s auto’s, was bij lange na niet voldoende om ook maar de goedkoopste gitaar van zijn buurman aan te schaffen. En dat leek voor ons gunstig.

Hiervan waren we niet meer zo zeker toen we de ’Yard’ van ’Ricky’ betraden. Het bleek een minisloperij met een blauwe zeecontainer die als kantoor dienst deed. Er stonden slechts drie auto’s op de ’Yard’ die enigszins voor rijdende exemplaren door konden gaan. Niekie en ik schonken elkaar een bedenkelijke blik maar de tijd die het ons had gekost om bij ’Ricky’s Yard’ te komen maakte dat we doorzette en na drie ferme kloppen op de containerwand betraden we het kantoor van Ricky Bowen, CEO van ’Ricky’s Yard’. Hij zat druk te telefoneren.

We schudden elkaars handen en maakte kennis. Ricky bleek al snel een ’no-worries-kinda-guy’ te zijn. Zo mochten we zelf kiezen welke auto we de komende vier weken mee wilden nemen. Terwijl hij nog snel een telefoontje pleegde konden wij alvast de drie beschikbare auto’s inspecteren. Sleutels waren, zo zei Ricky, niet nodig bij de inspectie want de deuren waren niet afgesloten. Al snel merkte we bij auto 1 (de mooiste) dat deze ook mét sleuteltjes niet af te sluiten was. Er zat namelijk geen slot in het linker zijportier. Auto 1 viel dus jammerlijk af. Bij auto 2 en auto 3 leek er op het eerste gezicht niets mis te zijn met de sloten maar verder zagen de auto’s er allerbelabberdst uit. Roest en deuken rondom.

We besloten onze keuze te maken op basis van het aanwezige profiel op de banden. Dat leek ons het meest zinvol met het oog op de veiligheid. Auto 3 had wat dat betrof een neuslengte voor op auto 2 die op slicks bleek te staan. Auto 3 moest het dan maar worden. Een Chrysler Neon automaat met werkende radio en airco.

Inmiddels had Ricky zich bij ons gevoegd. We liepen rondom de Chrysler. Ricky opende de motorkap en trapte demonstratief tegen de achterbanden (we werden het eens dat daar nog wel wat lucht bij kon). Hij gaf me de sleutels en vroeg me de auto te starten. Dit lukte probleemloos. Niekie en Ricky checkte de lampen en knipperlichten (alle werkend) toen mijn oog viel op een brandend lampje op het dashboard. ’Check Engine’, stond er in alarmerend rood bij. Toen ik Ricky op deze melding wees vroeg hij me of we zojuist de motorkap hadden geopend. Ik bevestigde dit. Heb jij toen een motor gezien, vroeg hij me vervolgens. Ook dit moest ik bevestigen. Dan konden we de melding op het dashboard verder vergeten, besloot hij.

Ricky was een ’no-worries-kinda-guy’.

Nadat we de papieren hadden ingevuld en getekend, liet Ricky ons nog weten dat we niet hoefden te bellen als we verder dan 500 km van Toronto met de auto zouden stranden. Hij kwam ons dan niet meer helpen. Binnen die straal konden we rekenen op zijn hulp. No worries.

Even later reden we in de Chrysler richting het centrum van Toronto.

Voordat we de volgende dag koers zette richting Niagara Falls, besloten we de tank eerst maar eens goed vol te gooien want we hadden de auto van Ricky meegekregen met nauwelijks een kwart gevulde tank. Een pompstation diende zich vrij snel aan. Het was deels een selfservice pompstation met een klein kassahuisje. In het huisje de enige pompbediende (tevens kassier) in crèmekleurige overall.

We moesten even zoeken naar het pookje waarmee de tankdop van de Chrysler werd vrijgegeven maar al vrij snel stond ik zorgeloos om me heen te kijken terwijl de slang onze tank vulde met brandstof. Ik bukte even licht en gaf Niekie, die in de auto het volume van de radio opschroefde (The Ataris met ’The Boys of Summer’), een ’thumbs up’. Misschien kwam het door de huurauto van Ricky, maar ik werd me bewust dat ik hier, bij dit kleine pompstation in het verre Canada, ook een beetje stond te tanken als een ’no-worries-kinda-guy’.

De pomp was er zo een met een belletje. Om de zoveel liter tingelde de bel en ik volgde de liters die in de tank van de Chrysler verdwenen derhalve met oor en oog. Na enige tijd verplaatste mijn focus zich van de teller op de pomp naar het kassahuisje schuin achter de pomp. De pompbediende maakte zwaaiende bewegingen in mijn richting. Nog niet ingeburgerd in de sociale omgangsvormen van de Canadezen, was ik blij verrast en zwaaide terug. Pas bij het terugzwaaien zag ik de paniek in de ogen van de pompbediende. Hij snelde zich inmiddels het kassahuisje uit met een goedgevulde, en zichtbaar zware, jute zak om zijn linkerschouder geslagen. Deze zware zak, die in kleur gelijk was aan zijn overall, bezorgde hem een atypisch loopje waarmee hij serieus hoge ogen zou hebben gegooid bij een auditie voor de rol van Quasimodo. Met zijn vrije hand bleef hij tegelijkertijd zwaaien.

Terwijl de pompbel ritmisch de getankte liters bleef aangeven en ik me afvroeg wat er zich in godsnaam voor mijn ogen aan het afspelen was begon ik gewaar te worden wat de pompbediende me toeriep. Het ene woord dat hij maar bleef herhalen in een tempo dat vele malen hoger lag dan de liters waarmee de pomp de Chrysler vulde, was ’STOP!’.

Toen ik me eindelijk realiseerde dat een en ander met mij te maken had gaf ik gehoor aan zijn oproep en ontspande mijn greep op het vulpistool. Zoekend naar een oorzaak voor de paniek van de pompbediende draaide ik me naar de Chrysler en speurde naar enig onheil. En toen viel alles op z’n plaats. De paniek in de ogen van de pompbediende, de jute zak over zijn schouders en de inmiddels toch wel zeer lange tankbeurt waarmee ik bezig was.

Achter de Chrysler had zich namelijk een meterslang spoor gevormd. Noem het een stroom. Een stroom benzine die zich vanuit de tank van de Chrysler als een kronkelende slang verspreidde over het wegdek van het pompstation en verder.

In de benzinetank van de Chrysler zat een enorm gat. Na ongeveer driekwart vullen stroomde de benzine hierdoor rechtstreeks het wegdek op. Ik stond dus al enkele minuten het wegdek te besproeien met benzine.

De pompbediende was inmiddels als een razende de stroom benzine aan het bedekken met handenvol zand uit de jute zak. Ook Niekie en ik strooide ons inmiddels suf om zo een eventuele ramp te voorkomen.

Een ’no-worries-kinda-guy’ zou na dit alles hebben gezegd: ‘zand erover’, maar daarmee doet hij tekort aan de paniek in de ogen van de pompbediende. Ik heb de pompbediende dan ook uit het diepst van mijn hart bedankt voor zijn oplettendheid en hem mijn oprechte verontschuldigingen aangeboden.

 

Dennis Aaij

Ik ben leraar geschiedenis, schrijf (fiets) reisverhalen op pedalenenverhalen.nl en maak de Lekker Uitgelegd podcast.

2 comments so far

TedGeplaatst op2:36 pm - aug 5, 2018

Hij is weer leuk hoor, ik lees.

Geef een reactie

4 × 2 =

Translate »