• info@pedalenenverhalen.nl

Cirkels

Cirkels

Laatste berichten van Dennis Aaij (alles zien)

Dat ik hier zit heeft absoluut niets te maken met vrije wil, ook al lijkt dat misschien wel zo. Laat je niet leiden door hoe ik het me de afgelopen, wat zijn het, dertig of eenendertig dagen gemakkelijk heb gemaakt. Ik zit hier niet uit vrije wil. Daarbij weet ik; de hitte gaat mijn dood worden. De droge tijd komt eraan.
De hitte gaat mijn dood worden.

Als een mantra herhaal ik deze woorden. Eerst in mijn hoofd maar steeds vaker ook hardop. Gekmakend. Ik ben gaan schrijven, móét schrijven, om orde te kunnen scheppen want in mijn hoofd regeert almaar meer de chaos. Ik moet mijn woorden zorgvuldig kiezen. Zij zijn straks alles wat er van mij over is.
Want de hitte gaat mijn dood worden.

Zoals die onheilswoorden in cirkels door mijn gedachten ploegen en diepe voren achterlaten waarin ik nieuwe cirkels maak, zo draai ik in cirkels om de boom. Vluchtend voor de zon. Ik moet zorgen dat ik de zon te slim af ben.

Schuilend in de schaduw van de reusachtige baobab zoeken mijn hersenen een uitweg. Tevergeefs. Ik zit gevangen. De hitte vormt een schild waar onmogelijk doorheen te breken is. Alleen tijd kan me redden. De tijd die op de schouders van de achterblijvers zou moeten tikken; ze zou moeten attenderen op het feit dat Roos en ik al geruime tijd weg zijn, zonder iets van ons te laten horen. Dat is namelijk niets voor ons. Daar zal de tijd onze vrienden op moeten wijzen. Vrienden die op hun beurt alarm slaan en een zoektocht op touw zetten. Tijd is mijn enige hoop en ik moet geduld hebben.

Kom op tijd, tik!

Voor Roos is de tijd te laat. Haar laatste woorden staan in mijn schedel gegutst. Arthur nee. Arthur nee. Steeds maar weer die twee woorden. ARTHUR NEE!

Daarna werd de stilte met een klap aangekondigd. In die stilte heb ik haar begraven. Naast de boom die haar noodlottig werd.

Diezelfde boom houdt mij nu in leven. Ik ben er afhankelijk van geworden. Zijn schaduw, zijn vruchten, zijn bladeren, ze houden me gevangen. Net als de zon die ervoor zorgt dat ik precies voldoende water heb om te overleven.
De zon speelt een macaber spel met me. Als een wrede gevangenbewaarder martelt ze me overdag. Ranselt me. En als ze ’s avonds huiswaarts gaat, spreekt ze vriendelijke woorden en laat ze, verstopt als condens in het grote doek van de ballon, een verkoelend glas water achter; wetend dat er dankzij dat ene glas een nieuwe dag van martelingen gloort.

Ik zit hier gevangen.

Van bovenaf, vanuit de ballon, had ik Roos nog op de enorme bomen gewezen, als waren het reusachtige armen die uit de droge harde grond waren gebroken. Ze leken lukraak in de rondte te graaien. Klaar om alles wat binnen het bereik van hun enorme klauwen kwam te grijpen. Roos had de beeldspraak geprezen en er passende foto’s bij gemaakt. Ook op de foto leken de bomen grijpende klauwen. Ik had het goed gezien.

Nu heeft een van die machtige klauwen ons te pakken gekregen. De rieten mand die ons in krakende stilte over deze prachtige vergezichten dreef sloeg te pletter op zijn massieve stam. Het doek van de ballon liet zich deels rond de kruin van de boom draperen. Het gegil van Roos sneed als een mes door de stilte.
“Arthur nee!”. Stilte.
Ze was op slag dood.

Het wachten valt me de laatste dagen steeds zwaarder. Het ritme van de tijd wordt niet langer bepaald door het horloge om mijn pols of het opkomen en ondergaan van de zon. Het ritme wordt bepaald door de woorden in mijn hoofd. Ik moet iets doen om aan die woorden te ontsnappen.
Waar ooit hoop was, is deze allang verdampt. Verdampt door de verzengende hitte.
De hitte die mijn dood gaat worden.

Eergisteren ben ik gaan graven. Vlak naast het graf van Roos ben ik laagje voor laagje van de bodem af gaan schrapen. Steeds dieper door de keiharde grond. Ik werk zorgvuldig en afgemeten. Gisteren ben ik voor het eerst gaan passen. Het moest nog een flink stuk dieper maar lengte en breedte waren perfect.

Vandaag ben ik tevreden. Ik staar naar het graf van Roos. Het ligt bedekt met stenen die ik tijdens het uitgraven van de grond ernaast, uit de bodem heb gewonnen. De rustplaats van Roos is verworden tot een grafheuvel. Een grafheuvel in de schaduw van de machtige baobab. Ernaast, gespiegeld, een perfect uitgediept rechthoek.

De hele nacht heb ik doorgegraven, zonder maar een moment te stoppen. Ik heb zelfs geen moeite gedaan het ballondoek uit te spreiden om het condenswater te vangen. Woorden stuwden me voort en trokken diepe voren in de taaie grond.

De zon is inmiddels op weg naar haar hoogtepunt. Voor het eerst kijk ik de zon recht in het gezicht. Niet langer houd ik me voor haar verborgen. Ik voel me lichter worden.

Als eindelijk de woorden in mijn hoofd hun klank verliezen, zie ik Roos bij de deur staan. Ze houdt ‘m voor me open.
“Toe Arthur, schiet op, er komt een hoop kou naar binnen”, zegt Roos.
Nog even twijfel ik, maar dan, rillend van de kou, stap ik naar binnen.

Dennis Aaij

Geef een reactie

veertien − zeven =

Translate »