• info@pedalenenverhalen.nl

Verhalen

Mijn eerste (en laatste) communie

Een jaar of tien was ik dus het moet rond 1983 zijn geweest. We woonden dat jaar op de Drechterlandsedijk in het West-Friese dorpje Ursem. Mijn jeugd is redelijk eenvoudig in te delen in blokken van 4 jaar. Ieder blok stond voor een ander huis. Toen ik vier was vertrokken we van Walingsdijk 99, mijn geboortehuis, naar nummer 18, het woonhuis boven de fietsenwinkel van Chiel Witte. Op mijn achtste schoven we door naar de oude bakkerij op de Drechterlandsedijk, waar we ook 4 jaar bleven wonen.
Hier aan deze Ursemmer dijk zat ik me op een vrije woensdagmiddag stierlijk te vervelen. Donkey Kong II bood enig soelaas. Op de Pick-Up lag Body Wishes van Rod Stewart, een van de eerste lp’s die ik van mijn eigen spaarcentjes had gekocht. De plaat was inmiddels grijs gedraaid. Buiten was het ook grijs zo vlak voor de kerstdagen.
Natasja, mijn zus, was niet thuis. Zij oefende in de St. Bavokerk, even verderop, met het zangkoor. De kerstviering stond voor de deur dus de puntjes moesten op de i worden gezet. Ik meen dat ze zelfs een dubbelfunctie bekleedde aangezien ze ook misdienaar was.
’s Avonds tijdens het eten (spruitjes en Domo vla) vroeg Natasja me wat ik die middag had gedaan. ’Niet veel. Niks eigenlijk, een beetje muziek geluisterd’, was mijn antwoord. ’Waarom ga je niet eens mee naar de kerk? Dan kan je misschien meezingen in het koor’, opperde ze. ’Pffff, dat is niks voor mij, ik kan helemaal niet zingen’, was mijn antwoord.

Het was twee weken later dat er zich weer zo’n kledderige woensdagmiddag aandiende waar ik moeite had mezelf te vermaken. Natas was weer aan het oefenen met het koor in de kerk, wat me deed denken aan het voorstel dat ze eerder aan de eettafel had gedaan.
Ik besloot een kijkje in de kerk te gaan nemen.
Heel vaak was ik nog niet in de kerk geweest. Het parkeerterrein, de begraafplaats en de bosjes rondom de kerk waren bekend speelterrein maar het binnenste van de kerk had ik welgeteld 1 keer eerder gezien. Dan tel ik voor het gemak mijn doop even niet mee.
Die ene kennismaking was de eerste communie (is er eigenlijk een tweede?). Hoewel geloof binnen ons gezin geen enkele rol speelde, was de doop en de heilige communie kennelijk iets dat erbij hoorde. Op school, die dezelfde naam droeg als de kerk, kreeg de heilige communie erg veel aandacht. Ikzelf zag het vooral als een klassenuitje met nieuwe kleren aan.
Ik herinner me die heilige communie nog heel goed. Een lange rij keurige kinderen vormden zich in het looppad van de koude kerk. Ik stond ergens achteraan in een lichte nieuwe broek (geen spijkerbroek!) met een geel vest. Kapper Oudejans had z’n werk, zo zag ik om mij heen, netjes gedaan.
Aan de andere kant van de rij, voor het altaar, stond pastoor Hak in vol ornaat. In zijn linkerhand een grote zilverkleurige schaal. Ik had geen idee wat er in de schaal zat en wat nou precies de bedoeling van de op handen zijnde ceremonie was. Toen de betekenis en het ritueel in de voorafgaande weken in de klas werd uitgelegd, had ik niet goed op zitten letten.
Mijn aandacht in de lange rij was inmiddels ook aan het verslappen. De afbeeldingen in de kerk en de andere aanwezigen leidde me af van de plechtigheid totdat ik plots oog in oog stond met pastoor Hak.
Het was mijn beurt en ik had geen idee wat de bedoeling was. Nieuwsgierig keek ik in de zilveren schaal van de pastoor. De schaal leek gevuld met een soort chips. Instinctief bewoog ik mijn hand naar de schaal en pakte een ’chippie’ die ik vervolgens in mijn mond stak. In mijn ooghoek zag ik het meisje dat voor mij aan de beurt was geweest, naar rechts afdraaien. Met de smakeloze chips die nauwelijks weg te kauwen was spoedde ik me achter het meisje aan. Plots voelde ik een pijnscheut in mijn linker bovenarm. Pastoor Hak had me stevig bij mijn arm vastgegrepen en trok me gemeen terug naar de voorkant van de rij. ’Ho ho ho’, zei de pastoor ondertussen. ’Dat moet even overnieuw! Zo doen we dat niet hier.’
Ik voelde aan mijn gloeiende bovenarm dat er iets goed mis was gegaan. Wát precies wist ik niet maar voor de zekerheid durfde ik de pastoor niet aan te kijken. ’Hoe heet je jongen?’ klonk het boven me. Ik zei mijn naam die de pastoor direct gebruikte om mij te vragen mijn handjes, met de palmen naar boven gekeerd, op elkaar te leggen. ’Zo doen we dat’, zei hij terwijl hij mijn handen in vroomheid schikte. ’En dan wacht je totdat ik de hostie heb gezegend en ik deze op je hand leg. Dan pas loop je weg en tijdens het weglopen leg je het lichaam van Christus op je tong’. ’Begrepen?’
Ik begreep dit niet maar het leek me beter om instemmend te knikken.
Terwijl pastoor Hak zijn hocus pocus verrichtte bleef ik naar zijn versleten witleren schoenen kijken. Ze staken slordig onder zijn gewaad vandaan. Toen hij de hostie op mijn handen had gelegd, bleef ik voor de zekerheid nog even staan. ’Nu mag je weglopen Dennis.’
Met het kostbare bezit op mijn handen maakte ik me uit de voeten. Bij het weglopen stak ik het lichaam van Christus in mijn mond waar het zich voor lange tijd aan mijn gehemelte hechtte.

Sindsdien was ik niet meer in de kerk geweest. Nu stond ik er als tienjarig ventje voor een hernieuwde kennismaking. Niet wetend dat deze hernieuwde kennismaking nog desastreuzer zou uitpakken…

Onzichtbaar (een vingeroefening)

Je kunt dit verhaal een creatieve vingeroefening noemen. Met mijn nichtje Lois bracht ik een middag in Haarlem door. Voor de lol bedacht ik een ’missie’, of zoals Lois en ik dit noemen een ’missión’, om de middag een invulling te geven. De missie luidde als volgt:
Fotografeer personen en locaties (er kwamen die dag ook nog audio opnames bij). Maak een selectie en verwerk deze vervolgens in een verhaal.
De geselecteerde foto’s zie je hieronder. Willem uit het verhaal is gebaseerd op de man in de stoel op foto 1 met de VR-bril op. De andere locatie die we op de korrel hadden was drogisterij Van Der Pigge (foto 2). Uit een audio opname van Lois heb ik de dialoog in de kringloopwinkel in het verhaal verwerkt.

Veel leesplezier!

 

ONZICHTBAAR

1

Willem was ondanks het vroege uur niet alleen in de Wijngaardtuin; het kleine park in het centrum van H. Hij was de stad als zijn huis gaan beschouwen. Het parkje kon je daarbinnen zijn woonkamer noemen. De naam Wijngaardtuin gaf zijn woonkamer een allure die het niet bezat.
Vandaag deelde Willem zijn woonkamer met twee mannen. Beiden mannen waren gehuld in fluorescerende werkkleding Ze droegen gereedschap van hun werkbusje, dat net buiten de ingang van het park geparkeerd stond, naar de lantaarnpaal in het midden van de Wijngaardtuin. Elektromonteurs van de firma DOMUS, zo verraadde de overalls bij het geringste licht. De mannen troffen voorbereidingen om de lantaarnpaal van de Wijngaardtuin nieuw leven in te blazen. Willem betreurde deze reparatie. Hij bewoog zich tijdens zijn kwetsbare uren liever in de schemer van het park. Licht vormde een bedreiging, zo had Willem ervaren. Hoe meer hij ’s avonds en ’s nachts door licht werd gevangen hoe groter het risico dat hij werd bespot.

Hoewel er geen enkele dreiging van de werklieden uitging, maakte Willem zich, zoals hij gewoon was, zo klein en onopvallend mogelijk. Zichtbaar onzichtbaar zoals een peuter die zijn ogen met zijn handjes bedekt.
Gebogen, en met zijn rug naar de lichtgevende mannen gekeerd, maakte hij zijn fiets klaar voor vertrek.
Twee overvolle fietstassen maakten de oude Gazelle net zo breed als dat ie lang was. De fiets deed al lang geen dienst meer als vervoersmiddel maar vormde Willem’s houvast aan het bestaan. Alsof de handvatten grip hielden op Willem’s leven.

Willem had zich voorgenomen om vandaag weer een bezoek aan Rataplan, de kringloopwinkel in de Zijlstraat, te brengen. De portable cd speler die hij een dag eerder had gekocht en waarvan hij dacht dat ie van pas zou komen, moest retour. Hij had 5 euro voor het apparaat betaald en dat was bij nader inzien ’zonde geld’, vond Willem. Het ding vrat batterijen en extra kostenposten in de vorm van batterijen kon hij niet gebruiken.
Het had hem gisteren een buitenkansje geleken. Een klein ’iets’ dat zijn eenzame leven gezelliger zou maken. Hij had er twee cd-tjes bij gekocht. Een van Gene Pitney en een van Jim Reeves; oude favorieten van zijn moeder. Muziek die hem terugbracht naar zijn onbezorgde jeugd.

Die cd speler moest en zou vandaag terug. Dat was zijn ’missie’. Het liefst had hij zijn 5 euro retour maar met een tegoedbon zou hij ook genoegen nemen. Gewóón terugbrengen was geen optie. Ze namen geen spullen retour bij Rataplan. Alleen bij elektronica had je met het bonnetje een week garantie. De speler moest dus niet in orde zijn om je geld terug te kunnen eisen. Willem had daarom een draadje dat nauwelijks zichtbaar was achter het klepje van de batterijen doorgeknipt. Het ding deed niets meer. Een week eerder had hij iets soortgelijks gedaan toen hij spijt had van de aankoop van een walkman.

Geluidloos verliet Willem het parkje. Er hing een geur van ochtendmist in de Wijngaardtuin zonder een spoor van nevel.

Bij de DOMUS servicebus, die de toegang tot de Wijngaardtuin enigszins blokkeerde, moest Willem, om met zijn fiets niet tegen het busje te stoten, voorzichtig manoeuvreren. De elektromonteurs hadden geen oog voor Willem. Dit werd eens te meer duidelijk toen de beide mannen, een week nadien, door twee politieagenten werd gevraagd of zij Willem die bewuste ochtend van de reparatie, in het park hadden gezien.
Geen van beide monteurs kon zich een vagebond met een fiets herinneren.

2

Het duurde zeker nog een half uur voordat de kringloopwinkel haar deuren opende. Dit gaf Willem de gelegenheid om nog even op de Botermarkt zijn dagelijkse kopje koffie te nuttigen.
Zodra Willem zijn fiets tegen de glasbak voor drogisterij Van Der Pigge parkeerde, werd er door een van de meiden van Van Der Pigge al een bakje koffie voor hem ingeschonken. 4 klontjes suiker en een scheut melk. Een ’Willempie’ noemden de meiden zo’n zoet bakje koffie liefkozend.
Mirjam kwam al naar buiten met zijn vertrouwde beker koffie in de hand. De koffiebeker was bedrukt met de ’gaper’. Identiek aan de ’gaper’ die ook de gevel siert van de oude drogisterij.
Hij kwam al een kleine twee jaar bij Van Der Pigge dat bij haar oprichting nog een ‘affaire in droogerijen en specerijen’ werd genoemd.
De gewoonte was ontstaan toen hij destijds op de Botermarkt bij een handgemeen zijn bewustzijn verloor. De dames van Van Der Pigge hadden hem vervolgens liefdevol opgelapt tot hij weer enigszins bij zijn positieven was. Ze hadden hem een zalf voor een zich vlot ontwikkelende buil op zijn voorhoofd gegeven. En toen de schrik er definitief uit was, werd hem zijn eerste kopje koffie voorgehouden. Toen hij na de koffie vertrok, hadden ze hem toegebeten de dag erna wél terug te komen om naar de buil te laten kijken en te laten weten hoe het met hem ging. Dit had Willem gedaan en was hij sindsdien ook blijven doen.
De oude Van Os, eigenaar van Van Der Pigge, had hem liever niet in de buurt van zijn winkel maar de winkelmeisjes raakten al snel gesteld op Willem. Soms schoven ze hem zelfs een zeepje, een aspirine, of wat er ook kon dienen als Haarlemmerolie, toe. Weigeren was geen optie. Hij werd bemoederd en liet het zich welgevallen.

3

Goedbeschouwd waren de meiden van Van Der Pigge de enigen die zich om Willem bekommerden. Op warmte kon hij verder in de stad nergens rekenen. Ook bij de kringloopwinkel niet. Hoewel de winkel bij uitstek voor mensen als Willem in het leven was geroepen was het winkelpersoneel zich daar weinig van bewust. Hij merkte dit aan de afkeurende blikken die hij steeds kreeg zodra hij de winkel binnenkwam. Geen goedemorgen, geen praatje of blijk van herkenning. De mensen van de kringloop deden hun best om Willem niet te zien.

Die morgen was het niet anders maar Willem had zich er inmiddels tegen gewapend zoals hij zich tegen het leven had leren wapenen.
Willem liep recht op zijn doel af. Hij moest achter in de winkel bij de afdeling elektronica zijn. Hij hoopte dat het jonge ventje er was vandaag want die was nog niet door minachting voor Willem besmet geraakt, zoals zijn oude collega dat wél was.
Het jonge ventje was er niet.
’Hé, ben je d’r nou alwéér?’, klonk het terwijl de klapdeuren dichtklapten.
De oude bebaarde kringloopmedewerker liet merken dat hij weinig tijd voor Willem had en was al snel weer door de klapdeuren het magazijn in verdwenen.
Willem wachtte geduldig op het moment dat de klapdeuren opnieuw hun werk deden.
’Wat moet je?’, klonk het bits vanuit de baard.
Willem pakte de draagbare cd speler die hij de dag ervoor had gekocht en reikte hem aan.
’Hij doet het niet’, opende Willem.
’Ah man, hij doet het helemaal perfect’, zei de oude kringloop medewerker.
’Hij doet het níet!’, beklemtoonde Willem.
’Ik heb ’m zelf getest’, bracht de man ertegen in.
’Nou, hij dóet het gewoon niet’, besloot Willem.
’Nou dan doe je toch iets verkeerd’. De man stond op het punt het magazijn weer in te duiken.
’Nou, laat maar horen dan!’, zei Willem uitdagend en volgde de oude man het magazijn in.
’Jij mag hier niet achter komen’, klonk het weer afgemeten.
Willem en de man schuifelde onhandig terug de winkel in, waar Willem zijn beklag vervolgde.
’De cd die er nou inzit, Hij doet helemaal niks. Níks doet ie!’, Willem maakte met beide handen een gebaar van machteloosheid.
’Weet je wat jíj ben? Een zeurpiet! Je krijgt de naam ’zeurpiet’ van mij’, beet de oude man Willem toe terwijl hij indringend op de neus van Willem wees. Hij kneep daarbij zijn toch al wat kleine oogjes nog iets meer toe.
’Hij doet het gewoon niet’, mompelde Willem nog maar eens.
’Ik heb ’m gister in de winkel gezet, hij heeft hier gespeeld!’ De man wees met zijn twee wijsvingers naar zijn bruinleren sandalen.
’Nou, ga maar kijken dan en laat het me maar horen.’
’Ik wéét het toch!’, schreeuwde de man.
’Ik wil nou wel even zien of jij ’m wél aan de praat krijgt dan. Ik wil wel even meelopen.’, sprak Willem nu op rustige toon.
’Net als met die walkman, toen heb je óók..’
’Die was óók slecht’, pareerde Willem direct. ’Die was ook niet goed en toen heb ik uiteindelijk ook mijn geld terug gehad. Ik loop wel even mee, hoe jíj dat dan doet want hij gaat bij mij helemaal niet aan.’
’Je ben een zeurpiet.. Dát ben je…’
De oude man schreef mopperend een retourfactuurtje van 5 euro uit.
’Inleveren bij de kassa, dan krijg je je geld terug, en ik wil je hier nooit meer zien. Zeurpiet!’

Willem had zijn geld terug. Opgelucht liep hij richting uitgang. Missie geslaagd.

4

Willem had na de aanvaring in de kringloopwinkel behoefte aan anonimiteit. Eventjes opgaan in de massa. Hij besloot zijn fiets in de Zijlstraat achter te laten. Zonder fiets liep hij vervolgens langs de vaart richting Grote Houtstraat; de belangrijkste winkelstraat van H.
Zou hij zijn hand overspelen als hij nog eens naar Van Der Pigge ging voor een bakkie koffie? Willem liet de gedachte al snel weer varen maar ondertussen begon hij in een opperbeste stemming te raken en hij wist dat de dames van de drogisterij hem zó het liefst zagen. Hij zou zeker worden beloond voor zijn goede humeur. Misschien zat er zelfs wel een stuk zeep in vandaag. Niet dat het nodig was want zeep had hij nog en voor een ’man van de straat’ rook hij bepaald fris. Sterker nog, zonder fiets zag hij er best acceptabel uit. Hij viel niet uit de toon. Zijn kleding was niet van de laatste mode maar wat hij droeg had de juiste maat en er zaten geen gaten of vieze oude vlekken in. Willem was nauwkeurig in dit soort dingen.
Met het geld van de kringloopwinkel in zijn zak voelde hij zich bepaald zelfzeker. Hij kon, zo vond hij, doorgaan voor gewoon ’een winkelende man’.
Sinds lange tijd keek Willem weer echt met interésse naar de verschillende etalages; ’Vensters van verleiding voor mensen met een gebrek aan middelen’, zoals Willem ze eens had omschreven.
De winkels binnengaan leek Willem nog een stap te ver. Het gevoel erin te misstaan had hij nog niet van zich afgeschud. Mensen als hij brengen hun dagen door op bankjes in parken.
Toch voelde Willem zich vandaag anders dan anders.

5

Willem stond voor de Vodafone winkel. In de etalage zag hij een display die een nieuwe sensatie aanprees; een ’Virtual Reality-bril’. ”Ontdek New York virtueel”, las hij op de begeleidende poster. ”Een unieke Samsung experience”.
Willem deed een stap naar rechts en keek schuin de winkel in. Achter in de winkel zag hij een jonge verkoper druk in gesprek met een echtpaar van middelbare leeftijd. De geheel in het rood gelede vrouw ging in een spierwitte tandartsstoel zitten. De verkoper plaatste, wat leek, een skibril op haar hoofd. Haar kalende man bekeek het gebeuren met aandacht.
De vrouw had het overduidelijk naar de zin.
Zonder na te denken liep Willem de winkel binnen. Nieuwsgierigheid won het van schroom. In de tandartsstoel was, zo leek het, iets bijzonders aan de gang.
De vrouw genoot zichtbaar van een fantastische wereld die zich kennelijk aan haar openbaarde via de witte skibril. Haar hoofd volgde bewegingen uit een andere werkelijkheid.
’Ohhh’.
’Jeetje man! Je weet niet wat je ziet!’, zei de vrouw. ’Net echt, alsof je over de stad héén vliegt!’
De verkoper wees het echtpaar er zeer professioneel op dat de ’Vie Ar’-bril, zoals hij het uitsprak, gratis was bij aankoop van het laatste Samsung toestel. Iets wat volgens hem een fantastische meerwaarde betekende. ’Dit is nog maar het begin van VR!’, benadrukte hij bovendien.
Ondertussen nam de man de bril van zijn vrouw over. De vrouw moest even tot zichzelf komen. Het leek alsof ze zojuist een overdonderende rit in een achtbaan had beleefd. Haar gezicht had de kleur van haar kleding aangenomen.
De man nam gretig plaats in de witleren fauteuil en zette de bril op zijn neus. De jonge verkoper hield de man een keuze voor. Hij kon ’m, net als zijn vrouw, New York weer voorschotelen, maar hij mocht ook plaatsnemen op het dek van een zeilschip dat in een onstuimige zee koers zette richting het vaste land. De derde optie was een virtuele ruimtereis. ’Eens even het heelal van dichtbij bekijken’.
Zeg het maar!’, Zei de verkoper.
De man koos voor de onstuimige zee. ’Gelukkig heb ik goeie zeebenen’, voegde hij er opgewonden aan toe.
De rode vrouw proestte het uit. ’Jij en zeebenen? Laat me niet lachen. Je houdt het in bad nog niet eens vijf minuten vol’.

Ook de man kon niet stil blijven zitten in de stoel. Willem maakte zich een voorstelling van de woeste zee die de man, naarstig op zoek naar zijn evenwicht, aan het trotseren was.

Onbewust was Willem opgeschoven. Alsof hij in zijn eentje een rij vormde voor de witte stoel. In deze rij zou hij vanzelfsprekend de volgende zijn die aan de beurt was want buiten het echtpaar en hijzelf waren er verder geen klanten in de Vodafone winkel.
Toen de man zich kletsnat maar toch droog ontdeed van de bril, was het Willem zijn beurt.
’Ongelooflijk, wat ze tegenwoordig allemaal wel niet verzinnen!’, zei de man en overhandigde de bril aan Willem.
’Écht bijzonder!’, voegde hij eraan toe.
De verkoper knikte instemmend en leek even in dubio. Moest hij Willem, die al in de stoel had plaatsgenomen, nú bedienen of kon hij zijn tijd en aandacht beter aan het stel besteden dat wellicht rijp was voor de koop van het nieuwe toestel met de gratis Virtual Reality-bril.
Hij koos voor de middenweg.
’New York, schip of heelal?’, klonk het afgemeten.
Willem koos, voor wat hij dacht, dat het minst onstuimig was.
’Doe mij het heelal maar!’, hoorde hij zich vastberaden antwoorden en zette de bril op.
’Blijft u rustig zitten, ik zet het melkwegstelsel voor u aan’, zei de verkoper terwijl hij aanstalten maakte om met het koppel mee te lopen. Hij wilde het paar zo snel mogelijk nog even de verleidelijke aanbieding onder de aandacht brengen.

Ondertussen verschenen de eerste beelden op het netvlies van Willem. Overal waar hij keek zag Willem sterren. Links, rechts, boven, onder, het maakte niet uit waar hij zijn blik naartoe richtte. Met de bril op zijn hoofd waande Willem zich werkelijk in het heelal. Planeten, sterrenstof en gruis dat ’m soms leek aan te vallen, zorgde er ook voor dat Willem niet stil kon zitten in de witleren stoel. Behendig ontweek hij de hem toesnellende meteoroïden.
Al snel was Willem de stoel ontstegen en voelde hij zich een rustig zwevende astronaut in het heelal. Hij wilde koers zetten. Dichterbij en nauwkeuriger observeren.
Wat was hij? Een ster, een stuk gruis of de observerende ruimtevaarder?
Door een kleine versnelling bewoog Willem zich inmiddels naar het centrum van het melkwegstelsel. Een enorme aantrekkingskracht deed hem nog meer versnellen. Nu werd het hem toch nog te onstuimig maar terugkeren of omdraaien ging niet meer, het centrum was aan hem beginnen te trekken en liet niet meer los. Flarden sterrenstof en meteoroïden schoten langs zijn gezichtsveld tot ze niet langer zichtbaar waren.
Onderscheid tussen licht en donker verdween.
De snelheid werd stilte.
Niets.

6

De verkoper was er niet in geslaagd het enthousiaste koppel een nieuwe telefoon te verkopen. Dit nam niet weg dat hij het echtpaar vriendelijk uitgeleide deed. Het stel toonde zich dankbaar voor de fantastisch ervaring met de bril en voor de folder die ze, en dat beloofden ze, thuis nog eens op hun gemak door gingen lezen.
De verkoper nam kort de tijd om zijn Vodafone-overhemd opnieuw in zijn broek te schikken en keerde vol goede moed terug naar de witleren stoel. Hoewel Willem er op het eerste gezicht niet uit leek te zien als iemand die op zoek was naar het nieuwste en vooral duurste model smartphone, boodt hij toch een gelegenheid om verkooptechnieken hier en daar wat bij te schaven, zo dacht de jongen.
Hij keek dan ook verbaasd toen hij, teruggekomen bij de VR-stand, niemand in de stoel aantrof. Op de zitting zag hij wél de bril liggen. Verward keek de verkoper om zich heen. De man was naast het stel als enige in de Vodafone winkel geweest, dat wist hij zeker. Het echtpaar had hij naar de uitgang begeleid zonder dat de man hen was gepasseerd, ook dát wist hij zeker. Hij keek nogmaals beduusd om zich heen om tenslotte zijn schouders in berusting op te halen.

In de Zijlstraat staat een eenzame fiets.

Cirkels

Dat ik hier zit heeft absoluut niets te maken met vrije wil, ook al lijkt dat misschien wel zo. Laat je niet leiden door hoe ik het me de afgelopen, wat zijn het, dertig of eenendertig dagen gemakkelijk heb gemaakt. Ik zit hier niet uit vrije wil. Daarbij weet ik; de hitte gaat mijn dood worden. De droge tijd komt eraan.
De hitte gaat mijn dood worden.

Als een mantra herhaal ik deze woorden. Eerst in mijn hoofd maar steeds vaker ook hardop. Gekmakend. Ik ben gaan schrijven, móét schrijven, om orde te kunnen scheppen want in mijn hoofd regeert almaar meer de chaos. Ik moet mijn woorden zorgvuldig kiezen. Zij zijn straks alles wat er van mij over is.
Want de hitte gaat mijn dood worden.

Zoals die onheilswoorden in cirkels door mijn gedachten ploegen en diepe voren achterlaten waarin ik nieuwe cirkels maak, zo draai ik in cirkels om de boom. Vluchtend voor de zon. Ik moet zorgen dat ik de zon te slim af ben.

Schuilend in de schaduw van de reusachtige baobab zoeken mijn hersenen een uitweg. Tevergeefs. Ik zit gevangen. De hitte vormt een schild waar onmogelijk doorheen te breken is. Alleen tijd kan me redden. De tijd die op de schouders van de achterblijvers zou moeten tikken; ze zou moeten attenderen op het feit dat Roos en ik al geruime tijd weg zijn, zonder iets van ons te laten horen. Dat is namelijk niets voor ons. Daar zal de tijd onze vrienden op moeten wijzen. Vrienden die op hun beurt alarm slaan en een zoektocht op touw zetten. Tijd is mijn enige hoop en ik moet geduld hebben.

Kom op tijd, tik!

Voor Roos is de tijd te laat. Haar laatste woorden staan in mijn schedel gegutst. Arthur nee. Arthur nee. Steeds maar weer die twee woorden. ARTHUR NEE!

Daarna werd de stilte met een klap aangekondigd. In die stilte heb ik haar begraven. Naast de boom die haar noodlottig werd.

Diezelfde boom houdt mij nu in leven. Ik ben er afhankelijk van geworden. Zijn schaduw, zijn vruchten, zijn bladeren, ze houden me gevangen. Net als de zon die ervoor zorgt dat ik precies voldoende water heb om te overleven.
De zon speelt een macaber spel met me. Als een wrede gevangenbewaarder martelt ze me overdag. Ranselt me. En als ze ’s avonds huiswaarts gaat, spreekt ze vriendelijke woorden en laat ze, verstopt als condens in het grote doek van de ballon, een verkoelend glas water achter; wetend dat er dankzij dat ene glas een nieuwe dag van martelingen gloort.

Ik zit hier gevangen.

Van bovenaf, vanuit de ballon, had ik Roos nog op de enorme bomen gewezen, als waren het reusachtige armen die uit de droge harde grond waren gebroken. Ze leken lukraak in de rondte te graaien. Klaar om alles wat binnen het bereik van hun enorme klauwen kwam te grijpen. Roos had de beeldspraak geprezen en er passende foto’s bij gemaakt. Ook op de foto leken de bomen grijpende klauwen. Ik had het goed gezien.

Nu heeft een van die machtige klauwen ons te pakken gekregen. De rieten mand die ons in krakende stilte over deze prachtige vergezichten dreef sloeg te pletter op zijn massieve stam. Het doek van de ballon liet zich deels rond de kruin van de boom draperen. Het gegil van Roos sneed als een mes door de stilte.
“Arthur nee!”. Stilte.
Ze was op slag dood.

Het wachten valt me de laatste dagen steeds zwaarder. Het ritme van de tijd wordt niet langer bepaald door het horloge om mijn pols of het opkomen en ondergaan van de zon. Het ritme wordt bepaald door de woorden in mijn hoofd. Ik moet iets doen om aan die woorden te ontsnappen.
Waar ooit hoop was, is deze allang verdampt. Verdampt door de verzengende hitte.
De hitte die mijn dood gaat worden.

Eergisteren ben ik gaan graven. Vlak naast het graf van Roos ben ik laagje voor laagje van de bodem af gaan schrapen. Steeds dieper door de keiharde grond. Ik werk zorgvuldig en afgemeten. Gisteren ben ik voor het eerst gaan passen. Het moest nog een flink stuk dieper maar lengte en breedte waren perfect.

Vandaag ben ik tevreden. Ik staar naar het graf van Roos. Het ligt bedekt met stenen die ik tijdens het uitgraven van de grond ernaast, uit de bodem heb gewonnen. De rustplaats van Roos is verworden tot een grafheuvel. Een grafheuvel in de schaduw van de machtige baobab. Ernaast, gespiegeld, een perfect uitgediept rechthoek.

De hele nacht heb ik doorgegraven, zonder maar een moment te stoppen. Ik heb zelfs geen moeite gedaan het ballondoek uit te spreiden om het condenswater te vangen. Woorden stuwden me voort en trokken diepe voren in de taaie grond.

De zon is inmiddels op weg naar haar hoogtepunt. Voor het eerst kijk ik de zon recht in het gezicht. Niet langer houd ik me voor haar verborgen. Ik voel me lichter worden.

Als eindelijk de woorden in mijn hoofd hun klank verliezen, zie ik Roos bij de deur staan. Ze houdt ‘m voor me open.
“Toe Arthur, schiet op, er komt een hoop kou naar binnen”, zegt Roos.
Nog even twijfel ik, maar dan, rillend van de kou, stap ik naar binnen.

Toetsenbord voor iPad

even testen hoe het typen gaat op dit toetsenbord.
het valt redelijk mee.
de toetsen zijn niet bijster groot maar beter dan de schermtoetsen.
kortom tevreden.
Jammer dat de hoofdletters niet automatisch aan staan bij een nieuwe zin. Moet dus de shift-knop gebruiken.
Kan overigens niet echt snel typen.
Geloof wel dat het ritme okay is.
Ik kan hier wel mee uit de voeten.

123
Translate »