• info@pedalenenverhalen.nl

– Blog

Kalkaanslag

We kunnen niet weg. Buiten slaat de zware regen hard en luid op de als dakpannen vermomde golfplaten daken. Wij kijken vanachter het raam van ons hoge uitkijkpunt naar buiten en zien een zee van mist. We hebben tijdelijk geen zicht op Vietnam en voor het eerst in ruim zeven maanden fietsen hebben we geen zicht op de route die op ons wacht. De regen gooit roet in het eten.

Op ons kleine hotelkamertje staan de fietstassen geduldig te wachten op het vroege vertrek dat ze zo gewend zijn. Maar het wordt later en later. 

Het begon vannacht al met enkele zware klappen onweer. De bijkomende bliksem drong zich, ondanks de gesloten gordijnen, toch onze kamer binnen. De bliksemflitsen werden feller toen de stroom uitviel. Een blik door het hoge raam leerde ons dat niet alleen ons hotel, maar het hele stadje zonder stroom zat. Beneden zagen we twee mensen met zaklampen door tuinen scharrelen. Op zoek naar licht. Meer zagen we niet.

Zullen we? Wachten we? Zo zitten we maar een beetje. Kijkend naar de regen die het raam teistert. 

Als het plotseling even iets minder regent (je tuint er altijd in) binden we de juichende tassen aan de fiets en vertrekken. We zijn nauwelijks het stadje uit of een gigantische stortbui daalt op ons neer. Nicole draagt een regenjas, ik word daar benauwd van dus rij in mijn blouse. Binnen een halve minuut is die blouse tot de laatste draad doorweekt. Mijn broek volgt een kwart minuut later. Als ik na een minuut of tien naar mijn schoenen kijk, voel ik hoe het water zich bij het aanzetten tussen mijn tenen en door mijn sokken omhoog perst. Ik zie het als zeepbelletjes uit de neus van mijn schoen borrelen. Ik ben doorweekt. 

Water, water, water

Plassen hoeven nu niet meer omzeilt te worden en voeten niet meer opgetild. Ik ben toch al zeiknat. Ik overweeg een sloot in te fietsen, gewoon omdat het me geinig lijkt. Ik bedenk me gelukkig net op tijd dat ik met fietstassen rijd, weliswaar waterdichte maar of ze onderwaterdicht zijn?

De regen valt met bakken uit de lucht zeggen we in Nederland wel eens, en jaarlijks sleep ik dan een zandzak naar de voordeur. Hier in Vietnam, vandaag, valt het met containers tegelijk uit de lucht. (In dit hele land heb ik tot nu toe nog geen douchekop gezien met zo’n lekkere stevige straal, bedenk ik me.) En zandzakken? Daar doen ze hier niet aan. Vrachtwagens lossen bergen puin en zand op plekken waar ze het water willen stoppen. 

Terwijl we met enkele auto’s en brommertjes wachten op een graafmachine die zo’n berg puinzand aan het verdelen is (een berg voor ieder huis), zie ik in mijn rechterooghoek een kind in het kolkende water naast de weg verdwijnen. Het jongetje ziet door het vele water niet waar het bruggetje naar zijn huis begint of eindigt en stapt ernaast. Hij verdwijnt in een tel in het snelstromende water en beland onder het bruggetje voor zijn eigen huis. De stroming is sterker dan het jongetje en hij komt niet meer boven water. Ik sta machteloos met mijn fiets tussen mijn benen maar de man naast mij, die met een schep in de hand meehelpt de bergen puinzand te verdelen, reageert razendsnel en ziet kans om in het bruine water te graaien en weet de pols van het kereltje te grijpen. Hij trekt het joch in een ruk naar boven en zet hem in één zwaai met beide benen op het bruggetje. Van schrik geeft de man een harde brul. Het jongetje mankeert niets en veegt het water beduusd van zijn gezicht. Een tweede man is inmiddels bij de jongen en geeft ‘m een pak rammel van jewelste. Daarna levert hij het ventje in bij z’n ouders op het erf aan de andere kant van het bruggetje, waar hij opnieuw wordt getrakteerd op een flink aantal serieuze klappen.

Alles staat blank

We kunnen door. De graafmachine laat ons passeren en we ploeteren voort. Links en rechts staat alles inmiddels onder water. Akkertjes, pleinen en sportvelden verdwijnen onder het wassende water en ook de asfaltweg voor ons wordt meer en meer een waterweg. 

We besluiten het kort te houden vandaag en vinden een hotel ergens boven op een berg (wel zo veilig). Daar trekken we een spoor van water via de hotellobby naar de derde verdieping en stropen in kamer 307 de natte kleren van onze lijven. 

Ik sta als eerste onder de douche. Als ik de kraan opendraai, komt er uit drie van de 132 gaatjes die de douchekop telt een straaltje water.

Cadeautjes uitpakken

We zijn in het Stilt House net voorbij Sapa, in het noordwesten van Vietnam. Onder ons, in het dal, zien we de door waterbuffels vertrapte rijstvelden. In warmte wachten de veldjes op nieuwe zaailingen. 

Sinds vanmorgen zien we er in gedachte ook het poeltje waar de waterval aan de overkant van het dal in uitkomt. Aan de rand van het te kleine poeltje verdringen zich drie handenvol toeristen uit alle vier de windrichtingen om een foto te maken (het liefst met zo min mogelijk soortgenoten erop) van de kletterende stroom water. Of om er verkoeling te zoeken. De verkoelingzoekers dragen te westerse badkleding. Helemaal als je ze afzet tegen de lokale verkoopsters van souvenirsnuisterijen die in de traditionele dracht op de brandende rotsen rondom het poeltje lonken naar klandizie. Eigenlijk valt iedereen hier bij de waterval uit de toon. We matchen niet en zijn met te velen op een te klein stukje natuur. 

waterverval

Nicole en ik vertrekken snel weer over de stalen hangbrug die gemaakt is om toeristen en hun begeleiders ‘en groupe’ te dragen. Op de stalen loper kijk ik naar links en zie de oude smalle bamboe hangbrug die buiten gebruik is geraakt nu de waterval onderdeel is geworden van de toertjes die de toeristen hier zoal boeken. Het woord ’Waterverval’, schiet door mijn gedachten.

Voor ons geen toertjes met een gids. Op de fiets rijden we dagelijks langs de rijstvelden en door de theeplantages. Watervallen duiken links en rechts van ons op wanneer zíj dat willen. Iedere bocht is daarom als een cadeautje. We pakken ze nog steeds vol verwachting uit en zijn blij met ieder uitzicht of inzicht dat ons na de bocht geschonken wordt.

Het Stilt House bleek lastig te vinden. We moesten er een flink stuk voor klimmen. We moesten van de fiets af, steile stukjes duwen en tenslotte in het donker naar het allerlaatste huis van het smalle bergpad. Onderweg ernaartoe passeerden we talloze andere guesthouses die stuk voor stuk aantrekkelijk oogden (zeker na een lange dag fietsen met een klim van 1400 meter aan een stuk erbij) maar het was nu eenmaal dat we waren getipt over dit ene guesthouse. De eigenares en haar zus waren volgens ‘horen zeggen’ twee keukenprinsessen en daar rijden we graag de benen voor uit het lijf! 

Het guesthouse lag er een beetje verlaten bij. Ik herkende het aan de bordjes, hoewel slecht verlicht, aan de kant van de weg. Ik had de uithangbordjes met de woorden ‘restaurant’, ‘private room & dorm’ en ’tour & trekking zien hangen op de foto die het stel dat ons had getipt had voorgehouden. Het was de enige foto die ze hadden van het Stilt House. De foto was gemaakt toen ze bij het guesthouse vertrokken. De eigenares stond met een brede lach tussen hen in. Op de achtergrond een volgepakte ‘four wheel drive’, net iets witter dan de mist om hen heen. 

We fietsten tot aan de openstaande voordeuren van het Stilt House. Binnen zat een vrouw op een blauw plastic tuinstoeltje een stuk fruit te eten. Toen ze ons zag liet ze de lach zien die overeenkwam met die van de foto. Dit moest de eigenares wel zijn. Ze sprong overeind en vroeg of ze ons kon helpen. Ik antwoordde met een wedervraag: “Heeft u een kamer voor ons?”. “Ja”, zei ze. “Nou dan kunt u ons helpen!”, sprak ik triomfantelijk.

Na het inchecken en douchen was het al laat (en we hadden al in Sapa gegeten) maar toen we tijdens het nuttigen van een fanta (Nicole) en een bier (ik), en een vriendelijke kennismaking met de eigenares (we waren de enige gasten) door het menu heen vingerden begonnen we te likkebaarden. Ook dit menu was als het uitpakken van een cadeautje! De vriendelijke en goedlachse eigenares zag direct hoe blij we werden van de keur aan gerechten in het bruinleren mapje, dat ze aanbood om voor ons te koken indien we nog iets te eten wilden hebben op dit late uur. Uit beleefdheid hielden we de boot af, het was nagenoeg bedtijd en we hadden geen echte honger en al dat werk… Maar niet veel later bestelden we beiden toch een pompoensoep. 

Als uit het niets verscheen de zus van de eigenares. Nicole en ik keken elkaar enthousiast aan toen we de beide keukenprinsessen richting keuken zagen vertrekken.

Er werd bepaald geen soepje uit de vriezer opgewarmd. We hoorden alle geluiden die horen bij een restaurantkeuken en bij het maken van een verse pompoensoep. Toen na een half uurtje het geluid van pureren tot ons kwam wisten we dat het niet lang meer kon duren. 

Vietnamese pompoensoep

Vol trots en met een evenzo grote glimlach als die we al kenden van haar zuster, bracht de zus van de eigenares de soep op een groot dienblad binnen. Een enorme kom met soep in precies de juiste kleur oranje en voorzien van een frivool kringetje witte crème stond voor ons te dampen. Ernaast, op een bijpassend schaaltje enkele stukjes licht geroosterd stokbrood. 

De zusters lieten ons even alleen.

Niet veel later lagen we in bed. Beiden met een glimlach die deed vermoeden dat we onderdeel van de familie waren. Misschien waren we dat ook wel. In ieder geval sliepen we snel in met de geruststellende wetenschap dat er de dag erna weer cadeautjes moesten worden uitgepakt. We hadden de kamer namelijk geboekt ‘inclusief ontbijt’.

De goden verzoeken

In Mai Chau heb ik eens naar de route en het aantal kilometers gekeken die we in Vietnam zullen gaan fietsen. Niks ligt vast zoals altijd, maar het is leuk om een plan te hebben. Mede door tips van mijn ouders die al eens in Vietnam zijn geweest en fietsers die we onderweg zijn tegengekomen is er een globale route ontstaan. Het blijkt vanaf Mai Chau zo’n 3500 km fietsen. Dat had ik niet verwacht. We hebben een visum van 3 maanden voor Vietnam en zijn niet van plan om te gaan racen. Dat gaat zeker in het noorden niet, want daar moeten we flink klimmen. Ach we kunnen altijd een stukje de bus nemen als we het niet redden.  

Op donderdag vertrekken we met regen uit Mai Chau. We zijn wat later dan anders, want er moet eerst weer een band geplakt worden. Net als gisteren staat de achterband van Dennis lek als we willen vertrekken. De dag ervoor heeft hij zijn binnenband verwisseld voor een nieuwe. Een hakitakkiemerk uit China, gekocht in Tadzjikistan. Na een rondje door de rijstvelden heeft het ventiel het al begeven. 

Mijn ouders vliegen eind november naar Kuala Lumpur en zullen ons ergens onderweg opzoeken. We hebben hen gevraagd wat fietsspullen mee te nemen. Onderdelen zijn hier moeilijk te krijgen, en als ze er al zijn, is de kwaliteit hier een stuk minder goed, dus een paar nieuwe buiten en binnenbanden zijn meer dan welkom. Ik zeg tegen Dennis dat het verstandig is deze spullen te gaan bestellen zodat alles op tijd bij mijn ouders is. Ik heb het nog niet gezegd of er begint iets hard te tikken bij Dennis zijn achterband. We stappen af en ik hoor: ”Dit is echt een serieus probleem”. Ik denk meteen dat er wat met de Rohloff naaf aan de hand is. Dit is niet zo. Er zit een joekel van een scheur in de achterband. En de buitenband puilt eruit. “Nee, niet weer!” Toen we 2500 km onderweg waren gebeurde het al eens. Toen met kwaliteitsbanden waarop Dennis was vertrokken (Schwalbe). Productiefoutje? Ik fiets met hetzelfde merk banden, weliswaar een ander type, maar ik heb geen problemen. 

Ik kan helaas niet meer zeggen dat ik nog geen lekke band heb gehad. Mijn achterband was lek na onze vlucht van Osh naar Hanoi. De fietsen waren verder gelukkig ongeschonden uit de strijd gekomen. De banden moet je vanwege de druk in het vliegtuig leeg laten lopen. En nadat we ze hadden opgepompt en de volgende dag wilde vertrekken stond mijn achterband plat. Terwijl ik er geen meter mee had gefietst. Ik was nog wel zo trots dat ik in die 9250 afgelegde kilometers niet 1 lekke band had gehad! 

Daar sta je dan in de regen met een gescheurde buitenband 13 km van de plaats van vertrek. Wat doen weg. Terug? Eigenlijk niet echt een optie, want een fietsenwinkel zat er niet in de plaats waar we vandaan kwamen. Ik zie dat er in Son La, 170 km verderop, een Giant fietsenwinkel zit (althans, er staat Giant op de gevel van de winkel). Dat klinkt hoopvol. 

We besluiten onze duim omhoog te steken en bij het tweede kleine vrachtwagentje is het raak. Een vriendelijke jongeman stopt en doet het raam open. Hij spreekt geen woord Engels en wij geen woord Vietnamees. Internet werkt niet, dus we kunnen google translate niet gebruiken. Ik wijs naar de fietsen en zeg Moc Chai, Son La? Moc Chai ligt 50 km verderop. Wie weet is daar ook wel een achterband te vinden. Het vrachtwagentje wordt geopend en de fietsen ingeladen. Tussen de piepschuim dozen worden ze netjes gestut. 

Quan Nguyen, onze redder in nood

Quan Nguyen is 30 jaar en vervoert dagelijks bloemen van Moc Chau naar Hoa Binh. Hier komen we later achter als we weer signaal hebben en google translate kunnen gebruiken. De eerste 45 km praat hij Vietnamees en wij Nederlands. Hij gaat tijdens het rijden wel even live op Facebook. We hebben liever dat hij op de weg let, maar hij wil zijn ervaring blijkbaar graag met al zijn vrienden op Facebook delen. Hij belt met een vriendin die Engels spreekt en Dennis legt uit wat het probleem is. Als we Moc Chau naderen geeft hij aan dat we eerst moeten eten en dan gaat hij ons helpen een nieuwe band te vinden. Ik eet noedels met groenten en Dennis en Quan eten een zalm hotpot. Dat is een grote pan met bouillon waar je van alles in kan gooien. Vlees of vis, groente, tofu en mie. 

Zalm hotpot met cola

Na het eten zien we heel Moc Chau. Quan vindt een aantal fietsenwinkels, maar de grote bandenmaat van Dennis hebben ze niet. We geven aan dat hij ons eruit mag zetten en dat we verder zelf naar een oplossing zullen zoeken. Mogelijk hebben we meer geluk bij de ‘Giant’ winkel in Son La. Hij is zo behulpzaam dat hij de grote weg op en neer rijdt om een lift voor ons te regelen naar Son La. Als er een bus passeert wenkt hij de chauffeur. De bus stopt even verderop en we kunnen mee voor 10 euro per persoon. We hebben dan nog 120 km voor de boeg. Mijn fiets wordt door 2 mannen overgenomen en onder in de bus gelegd. Ik kijk maar niet hoe ze dat doen. Op hoop van zegen. Bij de fiets van Dennis moet het spiegeltje eraan geloven.

We stappen in en de buschauffeur wijst naar mijn sandalen en geeft me een zakje. De sandalen moeten uit en in het zakje. Als ik verder loop schiet ik in de lach. Iedereen ligt languit op ligbedden. We zoeken een plekje en vertrekken. Als ik even later een foto van onze ligbedden maak en deze naar mijn zus stuur, krijg ik als reactie: ”Het lijkt net alsof jullie in een Maxi-Cosi liggen.” 

Tevreden in de Maxi-Cosi

Als een baby laten we ons vervoeren en kijken naar het prachtige landschap. En het moet gezegd, dit ligt een stuk beter dan de keiharde bedden in de hotels!

Vijf kilometer voor het centrum van Son La worden we eruit gezet. Op het spiegeltje na hebben de fietsen ook deze tocht weer doorstaan. Er staat een oudere dame bij de bushalte die met haar handen een slaapgebaar maakt. Ze wil ons naar haar hotel lokken. Ik schud nee. Als het bij mij niet lukt dan maar bij Dennis proberen, denkt het vrouwtje. Dennis is nog met zijn fiets bezig en als hij niet reageert roept ze een paar keer: ”Heeee!”. Dennis had al gezien dat ik nee geschud had en zegt plotseling heel hard: ”Heeee!” terug. Ze schrikt ervan en druipt af.

Het vinden van een overnachtingsplek is in Vietnam niet moeilijk. Overal zie je Nha Nghi staan, wat Guesthouse betekent. Een kamer voor 2 personen kost ongeveer 7 euro per nacht. Ook nu vinden we er een in de buurt. Op het oog een nette kamer. Alleen de wc-bril in het toilet ontbreekt. Later ontdekken we dat er wel meer mist. In de hoek van de badkamer zit het putje waar het douchewater naar toe loopt. Deze dient ook voor de afvoer van het water van de wastafel. Deze heeft namelijk geen aansluiting maar is gewoon open aan de achterkant. Later als de badkamer naar pies begint te stinken vraag ik me af of dit ook voor het toilet geldt.

Dennis stapt ’s ochtends op mijn fiets om naar de ‘Giant’ fietswinkel 6 km verderop te gaan. Na een uur komt hij terug met een zak broodjes en smeerkaas en twee gebruikte buitenbanden. In een ervan zat zelfs nog een binnenband. Het viel niet mee deze te vinden. De verkoopster in de winkel vertelde dat ze nergens 28 inch banden hadden. In Vietnam is 27,5 inch voor een mountainbike de grootste maat die je kunt vinden. Na wat treuzelen en aandringen kwam de fietsenmaker erbij. Die bevestigde het verhaal en liep naar achteren om een 27,5 inch buitenband te zoeken. Dennis was zo verstandig om mee te lopen om zelf te kijken of er ergens niet een verdwaalde 28 inch band rondzwierf. Al struinend vond hij er zowaar twee. Weliswaar de helft zo smal als de banden die erop zitten maar ze passen in ieder geval om de velg. 

De verkoopster dacht er anders over. Volgens haar waren de banden die Dennis tevoorschijn had gehaald niet de juiste. Ze waren namelijk ’te gevaarlijk’ om mee te fietsen. Ook de monteur deed zijn best om aan te tonen dat de banden niet dezelfde maat hadden als de banden die we nodig hadden. Dennis had al eens eerder (in Bosnië en Herzegovina) moeten improviseren met een smallere standaardband dus wist dat deze tweedehandsjes hem uit de brand zouden helpen. Hij werd dus een beetje ongeduldig van alle pogingen om hem van de koop te laten afzien. Hij pakte beide banden en schoof ze over zijn hoofd om duidelijk te maken dat de banden met hem mee de winkel uit gingen. De verkoopster gaf zich hierna over en liet Dennis 4 euro betalen voor de binnen- en twee buitenbanden.  

Bijna in orde

Als Dennis de fiets in orde heeft gemaakt vertrekken we richting centrum. Daar doen we een bakkie en koop ik wat boodschappen in de supermarkt. We lummelen nog wat. Gaan we verder of niet? We besluiten nog een dagje in Son La te blijven en gaan op zoek naar een onderkomen. 

Als we ’s middags naar de koffiebar aan de overkant willen lopen, ik om dit verhaal te schrijven en Dennis om te schrijven en te lezen, komt hij erachter dat zijn notitieboekje en pen nog in het pies-hotel moeten liggen. We fietsen erheen en het ligt netjes bij de receptie te wachten. Het was dus niet voor niets dat we nog een nachtje zijn gebleven

Fietsend tussen de rijstvelden

Vietnam, het land van de harde bedden! Daar is niets aan gelogen. Gisteren heb ik een formulier voor ons guesthouse in moeten vullen. Ik heb het A-4tje volgeschreven met ons matras als ondergrond. Verder niets. Met balpoint. Niet 1 keer met de punt van de pen door het papier geprikt. Zelfs niet bij mijn handtekening. Zo hard zijn de matrassen in Vietnam. We slapen er prima op omdat we moe zijn van het fietsen maar ik merk dat ik vannacht op mijn zij heb gelegen. Ik heb een pijnlijke schouder. Na wat navraag bleek Nicole ook een pijnlijke schouder te hebben. 

We verbijten de pijn en pakken onze fietsen om op zoek te gaan naar een ontbijtje met koffie. We zijn gisteren in Mai Chau aangekomen, 140 kilometer ten zuidwesten van Hanoi en we moeten het plaatsje nog verkennen. Dit zullen we te voet moeten doen want mijn achterband staat plat en die ga ik niet plakken op een lege maag. 

Na een korte wandeling vinden we zoete broodjes en koffie met ijsklonten. Dit blijkt genoeg voeding om de achterband te repareren. Als we dan even later toch door de rijstvelden fietsen, zien we voor het eerst echt hoe mooi de omgeving hier is. We hebben er twee dagen over gedaan om van Hanoi naar Mai Chau te fietsen maar hebben niet veel achterland gezien. Links en rechts van de weg waarop we fietsten was het grotendeels bebouwd en we moesten tussen de huizen door kijken om de achterliggende akkers te zien. 

Als we na anderhalve dag fietsen de bergen in klimmen worden we eindelijk door de groene natuur omarmt. We hebben dan al een tropische regenbui te verwerken gekregen maar eerlijk gezegd werkte die verkoelend. De warmte in Vietnam is niet te vergelijken met die van de -stan landen. Hier in Vietnam begin ik al te zweten als ik naar mijn fiets kijk. En niet zo’n klein beetje… Het zweet loopt met liters tegelijk in een constante stroom langs de klep van mijn pet, via het frame van mijn fiets op straat. Mijn shirt en broek zijn doorweekt en glimmen van het zweet alsof ik zojuist vanuit het water op het droge getrokken ben. En zo voel ik me ook. De hele dag door.

De berg van die middag blijkt 700 meter hoog. En al na tien meter met een klimpercentage van 6% loop ik leeg. Letterlijk en figuurlijk. Dat zweten is een nieuwe dimensie voor me. Ik moet daar nog even aan wennen merk ik. 

Die berg ligt inmiddels weer achter ons. Zo gaat dat met fietsen. Voordat de volgende berg (nog steiler en hoger) zich aandient nemen we een rustdag en die brengen we dus hier, tussen de rijstvelden van Mai Chau, door. 

fietsen tussen de rijstvelden

We fietsen via de rijstvelden per ongeluk naar een klein dorpje dat tussen de bergen verstopt ligt maar dat toeristen desondanks feilloos weten te vinden. Ze worden er namelijk met bussen tegelijk gelost en lopen een door gidsen geleid rondje langs diverse tafels met handwerk en ander toeristisch gerei. De traditionele huizen zijn er van donker hout en staan op palen maar om dat te zien moet je goed kijken want koelkasten met blikjes cola, vriezers met ijsjes en terrassen met grote menu-borden schreeuwen harder om aandacht. En dan is er ook nog de alom aanwezige wifi. Voor als je even helemaal geen zin hebt in omgeving.

We fietsen snel verder.

Vlinders. We zien prachtige vlinders zo groot als vogeltjes. Ik moet aan Erik Beishuizen denken als er een prachtexemplaar enkele meters met me op vliegt. Alsof ie aan een touwtje zit. De lange staart maakt het beeld compleet. Ik zie een vlieger voor me en dan denk ik automatisch aan Erik. Erik was in een eerder leven gepassioneerd verkoper van vliegers. Tot de zaak failliet ging. Nu verkoopt hij platte tv’s en die schijnen aanzienlijk harder de winkel uit te vliegen.

Ik heb hier in Vietnam aan meer mensen ‘van thuis’ moeten denken. Een ervan is Coen. Aan Coen moest ik denken toen ik in Hanoi ambachtelijk fraai gevouwen ansichtkaarten zag. Coen is een vriend en oud-collega waarmee te lachen valt. 

Toen Nicole me gisteren vroeg wie ik van mijn vrienden óók in staat achtte zo’n reis als de onze te ondernemen, riep ik direct ‘Coen!’. Misschien was ik zo stellig vanwege het woord ‘ondernemen’ in de vraag. Coen is leraar economie maar daarnaast, en vooral, een ondernemer in hart en nieren. Hij koopt en verkoopt bij voorkeur zaken die je handig op kunt vouwen. Zo kent hij de markt der vouwfietsen als zijn broekzak. Toen de winstmarges van de opvouwfietsen kleiner dan de fietsjes zelf werden, schaalde Coen, flexibel als hij is, óp en ging in de vouwwagens. Net zo makkelijk! (In zijn tuin staat ook nog een opvouwmotorboot. Niet gelogen!) Toen we nog collega’s waren op het Visser ’T Hooft Lyceum in Leiderdorp, riep ik tegen iedereen die het maar wilde horen: ‘Coen is een topgozer, daar kun je op vouwen!’

Eerlijk gezegd komen jullie allemaal langs in mijn gedachten. Dat is helemaal niet moeilijk als je duizenden kilometers fietst. Ik heb de tijd om aan ieder van jullie te denken en doe dat naar hartenlust. Ook denk ik veel aan mensen die er niet meer zijn, mensen waar ik geen nieuwe herinneringen meer mee zal maken. Van hen koester ik de oude des te meer. En dat lukt prima hier tussen de rijstvelden van Vietnam!

Translate »