• info@pedalenenverhalen.nl

Auteurarchief Dennis Aaij

Gott im Himmel!

Het was een grauwe dag gevuld met regen en wind. De hemel hing in 50 tinten grijs als een adventskrans met gedoofde kaarsen boven onze hoofden. De omgewoelde akkers lieten hun zompig bruine zelfkant zien langs gods wegen. We hadden ons ingepakt in regenkleding, van top tot teen. Gebogen.

Zo reden we Grüss Gott-land binnen.

Dat we door god welkom werden geheten, werd me duidelijk op de weg naar Dachau. Niet alleen vanwege die enkele fietser die ons in het voorbijgaan namens de heer begroette, maar ook vanwege de Jezus-verschijningen langs de weg. Goeie god, het werden er steeds meer! 

Niet alleen langs de weg maar ook bij de mensen thuis hing Jezus aan het kruis genageld; stilletjes lijdend voor ons allen. Meestal in de tuin. De ene Jezus had overigens meer te lijden dan de andere. Dat kwam omdat er boven die Jezussen geen afdakje getimmerd was, zonder afdakje ranselde wind en regen het aangezicht van de gekruisigde. Anderen leden lekker in de luwte, met de rug naar de wind en droog omdat zij wel een afdakje hadden. 

De rit naar Dachau was voor ons een lijdensweg zonder afdakje.

Het concentratiekamp in Dachau hebben we niet aangedaan. De weersomstandigheden waren al troosteloos genoeg. Ons doel voor de dag lag in München waar Luis, een Argentijnse IT-er op onze komst zat te wachten. Dat beloofde heel iets anders.

Toen Luis de deur voor ons opendeed in de Eisenacherstrasse in München, leek het of we hem hadden gestoord in drukke bezigheden. Zuchtend en zoekend naar een prettige houding, begeleidde Luis ons naar de binnenplaats waar we onze fietsen konden parkeren. Een deel van de fietstassen ging beneden in de berging. De overige spullen gingen mee naar boven. Daar, in zijn appartement, kregen we een snelle rondleiding. Kamer, douche en toilet. De keuken kregen we niet te zien want koken deed Luis voor ons. De woonkamer had een zitgedeelte en een slaap/werk-gedeelte. Aan het voeteneinde van het bed van Luis stond een tafel met drie monitoren. Allen gaven licht. 

Terwijl Nicole ons stapelbed van schoon beddengoed voorzag, stond ik kennis te maken met Luis. Hij kwam langzaam los van de computerschermen in zijn slaapkamer en in zijn hoofd, waardoor we even later aan een biertje in de woonkamer zaten. Na het bier, de fanta en de uitwisseling van reiservaringen vroeg Luis ons of we de stad wilden zien. Dat wilden we.

Luis moest even zoeken naar zijn auto (geheel toevallig van het merk dat in nazitijd gebruik maakte van de dwangarbeid in kamp Dachau) omdat hij geen vaste parkeerplaats had. Even later kon de tour beginnen.

Luis reed ons langs het Olympisch stadion en langs iedere toegangspoort tot de oude stad. We zagen het Gestapo hoofdkwartier (platgebombardeerd), Hitlers woonhuis, de Universiteit, de bibliotheek, het oude klooster waar alles begon, het nieuwe klooster, de synagoge en kogelgaten in gebouwen en standbeelden. Hij liet ons uitstappen bij de koninklijke ‘Brauhaus’ en het riviertje midden in de stad, waar de stadsjeugd aan het golfsurfen was (temperatuur net iets boven het vriespunt).

Een golfsurfer, ’s avonds in hartje München

De mooiste plek waar Luis ons mee naartoe nam was Schloss Nymphenburg, de oude zomerresidentie van het Beierse hof. Het slot en z’n bijgebouwen hielden veel voor ons verborgen. Vanwege de harde wind waren de luiken van de bijgebouwen in de fantastische slottuinen gesloten. We konden nergens naar binnen spieken. Ook waren alle Griekse godenbeelden, die in lange rijen in de tuin stonden opgesteld, aan het oog onttrokken. Ze waren ingepakt tegen de winterse elementen zodat zij even helemaal niets te lijden hadden.

Mooier dan alle verhulde interieurs en godenbeelden was de lucht boven het slot. De hemel pakte groots uit. Het slot en de tuin werden in tweeën gedeeld. Boven de linkervleugel was de hemel woest en onheilspellend donker. Boven de rechtervleugel van het slot was de hemel helderblauw en zonovergoten met een enkel donzen wolkje als een lichte toets van de meester die schoonheid weet te pakken.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is IMG_3144-012.jpeg
Schloss Nymphenburg

En toen begon het spel. Het voltrok zich daar op die prachtige plek, recht boven onze hoofden. De wind zette zich schrap en begon aan te zetten. Regen sloeg ons met een natte doek op de wangen. Wolken daverden voorbij en de zon vocht voor iedere meter die ze prijsgaf.

Het spel is op de wagen

Luis begon snel naar de auto te lopen maar ik bleef staan en keek. Ik wees Nicole op het wolkentheater en ook zij bleef staan. We pakten elkaars hand.

De wolken kregen definitief de overhand maar de zon gaf zich niet zomaar gewonnen. Tegen de grijze achtergrond van buien en onheil verscheen, in de slottuin, op de voorgrond een scherpe regenboog. Ademloos stonden we te kijken toen er zich een tweede regenboog aandiende, minder fel maar ruimer bemeten. 

Kermis in de hel

‘Als de zon schijnt en het regent, is het kermis in de hel’, zei ik tegen Nicole en kneep even in haar hand. Nicole bleef ademloos kijken en kneep zachtjes terug.

Andernach

Sommige verhalen laten zich makkelijk vertellen. Hier in Andernach worden de keren dat de Rijn buiten haar oevers trad breed uitgemeten. Vele muren dragen plaatjes met jaartallen die op verschillende hoogtes zijn vastgespijkerd om zichtbaar te maken tot waar het water stond in welk jaar. Alle horecagelegenheden aan de oever hebben foto’s aan de muren hangen waarop te zien is hoe de boel telkens weer onder water staat. Bewijsstukken van een geschiedenis die maar geen verre geschiedenis wil worden. Ze laat zich in een oogopslag vertellen. 

De diverse jaarplaatjes naast de deur van de oude kraan

Als ik Nicole wijs op de oude kraan aan de Rijn, ziet ze ook daar de jaarplaatjes langs de oude deur. Sommigen hangen op manshoogte. Toevallig ken ik het verhaal van deze kraan en vertel Nicole over de handel in maalstenen die voor altijd Andernach, de Romeinen, de Rijn en Nederland met elkaar verbinden. Andernach was namelijk een Romeins fort met een haven en functioneerde ook toen al als handelscentrum in maalstenen en was een niet onbelangrijk onderdeel van de Limes; de Romeinse rijksgrens. De maalstenen uit Andernach waren erg populair omdat ze, ondanks het vele malen, scherp bleven (het waarom zit ‘m in de luchtbelletjes in het vulkanische gesteente). De oude kraan langs de Rijn heeft tot in de 20e eeuw maalstenen op schepen die de Rijn afvoeren getakeld. Bijna alle molens die nu nog meel malen in Nederland gebruiken maalstenen die uit Andernach komen. Denk daar maar eens aan als je meel bij ‘De Molen’ haalt!

Dan denk ik aan de houten brug die Julius Caesar hier in een nog verder verleden over de Rijn liet bouwen maar dat verhaal slik ik in. Het is te weinig tastbaar. Je kunt het niet lekker aanwijzen. Ook de legende over de twee jongens en de honingpot vertel ik niet, maar dat is omdat ik me het verhaal niet scherp meer voor de geest kan halen.

Ik ben hier eerder geweest. De bejaarde vrouw die me vanachter het raam staat te bekijken ziet mij niet. Ze heeft louter oog voor mijn volgepakte fiets. Als ze naar me zou kijken, herkent ze me wellicht want pakweg twee jaar geleden stond ik hier ook. Met dezelfde schaduw. Ook toen had ze goed moeten kijken want om mij heen liepen zo’n 30 schoolkinderen.

Onder de tafel van de oude dame achter het raam, fantaseer ik een klein kind (kleinkind?) omdat ik aan de eerste alinea van Charles Bukowski’s roman ‘Kind onder de kannibalen’ moet denken. In die eerste alinea beschrijft Bukowski zijn vroegste herinnering die, net als hij, in Andernach werd geboren. Het huis dat de herinnering omhulde staat er nog steeds, ik heb het zelf gezien en heb het aangeraakt.

‘Het eerste wat ik me herinner is dat ik ergens onder zat. Het was een tafel, ik zag een tafelpoot, ik zag benen van de mensen en een stuk van het afhangende tafelkleed. Het was donker daar beneden, ik vond het fijn om er te zitten. Het moet in Duitsland zijn geweest. Ik moet tussen de een en twee jaar zijn geweest. Het was 1922. Ik vond het fijn onder de tafel. Niemand scheen te weten dat ik daar zat. Er speelde zonlicht over het kleedje en over de benen van de mensen. Ik vond het zonlicht fijn. De benen van de mensen waren niet interessant, niet als het afhangende tafelkleed, niet als de tafelpoot, niet als het zonlicht.’ (Charles Bukowski, Kind onder de kannibalen, Lebowski Publishers, Amsterdam 2014)

Het voelt een beetje gek om hier in Andernach te zijn. Ik sta hier niet langer dan 5 minuten op de oever van de Rijn maar ken ook de straten landinwaarts. Straten die veel meer tijd vergen om te beleven, maar waar ik vandaag, in het voorbijgaan, niet zal komen. Net als het water dat in de Rijn naar de Noordzee stroomt. Ook dat water kent hier de weg buiten haar eigen hoge oevers omdat het er ooit eerder geweest is maar waar het vandaag, in het voorbijgaan, niet zal komen. En die gedachte blijft bij me als ik allang weer een fietser geworden ben, op weg naar Bali.

Schaduwen

Er zijn mensen die stemmen in hun hoofd horen. Sinds enkele dagen ben ik een van hen. Hoewel… Het stemmetje dat mij bezoekt is er maar een. Het is ook niet een stem die diep uit mijn eigen psyche komt en zich dwangmatig openbaart of zoiets, nee, het is een heel duidelijke stem. Het is de stem van Bob van der Houven. Je kent zijn stem want hij doet de VoiceOver van het EO-programma Rail Away. Rail Away is een traag meanderend programma voor liefhebbers van treinen, sporen en stationnetjes langs- of dwars door prachtige natuur. Bob meandert in het programma rustig met de trein mee. Hier en daar stapt zijn stem van de locomotief af en beschrijft hoe een lokaal dorpje in weerwil van synthetische tijden op buitengewoon bewonderenswaardige en standvastige manier nog steeds geheel zelfvoorzienend is door het ijverig en handmatig kaarden van wol.

Die stem hoor ik dus. Zijn woorden bedenk ik er zelf bij. Dat ik juist zíjn stem hoor, komt door de omgeving waarin we fietsen; 1 op 1 een Rail Away decor. 

We fietsen al een poosje zuidwaarts aan de rechteroever van de Rijn. Links en rechts worden de Rijn en wij geflankeerd door spoorbanen. Tegen de flanken van de bergen staan druivenstokken die druiven zullen dragen die op een dag onze glazen zullen vullen. De zon licht er om de paar kilometer een hoog kasteel uit. De ene in nieuwstaat, de andere een ruïne. Het zijn er zoveel dat ik er hier en daar een vergeet te bewonderen. 

Door dit alles kom ik tot een inzicht. Ineens begrijp ik waar de naam Duitsland vandaan komt. Het is een afkorting voor ‘Duizend Kastelen Land’. 

Ik zou zomaar eens gelijk kunnen hebben.

Nederland is overigens niet ver weg. We worden al vanaf Koblenz geschaduwd door de Oranje Nassau, een binnenvaartschip uit Giessenburg. Het schip en wij bewegen met exact dezelfde snelheid in exact dezelfde richting. Volmaakt synchroon onderweg naar verre bestemmingen. Ons tempo is zo griezelig gelijk aan die van het schip, dat ik begin te vermoeden dat de lading van de Oranje Nassau bestaat uit vrienden en/of familie die na ons vertrek de koppen bij elkaar hebben gestoken en een schip hebben gehuurd om ons daadwerkelijk te volgen. En denk nu niet dat ik begin te raaskallen want het is eerder gebeurd. Toen we in 2016 naar de Middellandse Zee fietsten, weken we van de route af om vrienden op een camping  in Die (Frankrijk) te bezoeken. De laatste 10 á 20 kilometer werden we ongemerkt geschaduwd door een zilveren stationwagen (in mijn herinnering een skoda). In de auto zaten Guus en Kane Lentjes die de laatste kilometers naar de camping vanuit de auto hebben gefilmd om ons na aankomst met de beelden te verrassen. Destijds hadden we niets in de gaten gehad maar daar trappen we dus geen tweede keer in!

We kijken wél uit naar de beelden.

Op de voorgrond de Oranje Nassau. Op de achtergrond een van de duizend kastelen.

Luxus Weib

De fiets en onze adem brachten ons naar Berolina Haus in Düsseldorf. Een goedkoop hotelletje aan de centrumring. Bij het inchecken vroeg de receptioniste waar we vandaan kwamen. Ik was vergeten wat fietsen in het Duits was dus vroeg haar naar de vertaling. De jongedame zei dat ze het ook niet wist. ”Ik ben een buitenlander”, zei ze. “Goed dat we elkaar hier treffen”, zei ik. “Twee buitenlanders tezamen”. We kwamen er prima uit.

Nadat we de fietsen achter de poort van het hotel hadden geparkeerd, de fietstassen in de witte kamer hadden staan en een heerlijke warme douche hadden genoten, was het tijd voor het avondeten. We besloten de goede start te vieren met een goedkoop etentje buiten de tent. Aan de Rethelstrasse vonden we een geschikt Italiaans restaurant die een grote lasagne serveerde voor 9,50 euro. Dat leek overeen te komen met onze trek.

En het was daar in dat Italiaanse restaurant dat we Matthias ontmoette.

Matthias is een omgevingsmens van gevorderde leeftijd. Dat wil zeggen dat niet zijn eigen tafel of tafelgenoten zijn aandacht hebben, maar de tafeltjes naast, voor of achter hem.

Zo leren we Matthias kennen als de man die zich niet laat storen door een kind dat aan tafel in een Italiaans restaurant luidruchtige tekenfilmpjes op een iPad zit te kijken. Matthias vindt dat (net als wij) ongepast en treedt op (iets wat wij nalaten). De iPad wordt ingeruild voor een kleurboek (en wij roepen in gedachten hoera). Als Matthias zich na zijn kordate optreden tevreden omdraait zoekt hij bevestiging voor zijn handelen in ons oogcontact. Zowel Nicole als ik kijken buitengewoon bevestigend. Vermoedelijk leest Matthias meer in ons beider oogopslag. Hij zal iets van een aanmoediging hebben gezien want hij draait zijn stoel onmiddellijk een achtste slag richting ons tafeltje en we maken contact.

Wat we toen nog niet wisten, was dat Matthias er verstandiger aan had gedaan om zijn vrouw en schoonzus voor die avond thuis te laten. 

Matthias besloot de rest van de avond namelijk met ons door te brengen. Onze reis trok zijn aandacht en we waren bovendien Nederlanders. Dit bleek een perfecte combinatie die een betoverende uitwerking leek te hebben op Matthias. De betovering liet ook zijn Spaghetti koud worden.

We hadden veel te bespreken. Om te beginnen was daar het Beach Hotel in Noordwijk. Hij bezoekt het jaarlijks en het toeval wil dat wij er precies 10 dagen geleden ook waren. Van het een kwam het ander. Matthias is culinair recensent bij de Rheinische Post en tipte ons zijn favoriete restaurant in Noordwijk (Bij Raggers), roemde de oesters uit Ierseke en de terrasjes in Middelburg. 

Toen Nicole liet weten dat ze uit Zevenaar kwam, vertelde hij prompt over de tijd dat hij als jonge jongen smokkelwaar de grens bij Elten over bracht. Met boter en eieren verstopt onder zijn jas fietste hij de grens van Nederland naar Duitsland over. Met weinig risico want als de smokkelwaar werd ontdekt, knepen de grenswachters steevast een oogje toe.

Ondertussen begon de vrouw van Matthias (hij noemde haar een ‘Luxus Weib’) hem aan zijn mouw te trekken. Ze vond dat het tijd was om weer gezellig aan zijn eigen tafeltje te doen, en dat hij moest ophouden ons verder lastig te vallen. Toen we Matthias en zijn vrouw zeiden dat we het helemaal geen probleem vonden dat hij met ons zat te kletsen, was het schaap over de dam. In het volgende halve uur bespraken we het werk en de vakanties van Matthias en zijn ‘Luxus Weib’ in Nederland. We bespraken de diverse redenen van het drinken van Fanta en hij vertelde ons de geschiedenis van de Italiaanse nering van onze toevallige ontmoeting (een week geleden had de eigenaar iedereen de zak gegeven, twee bedienden konden blijven en Simone, de schoonmaakster, werd de nieuwe kok. Nu is het eten, volgens Matthias, beter dan ooit. En toegegeven, de lasagne was voortreffelijk).

Het was een heerlijke avond met Matthias. Toen we vertrokken gaf hij ons zijn visitekaartje en stond erop dat we contact met hem zouden opnemen als we ooit hulp nodig hadden in Düsseldorf. Zijn schoonzus en ‘Luxus Weib’ leken opgelucht toen we vertrokken. 

Translate »