• info@pedalenenverhalen.nl

Auteurarchief Dennis Aaij

Een magische ontmoeting

Toen we ons na een forse zomerse klim lieten afzakken naar Cetinje (Montenegro), kwam er een tegen strenge vorst ingepakte wielrenner naast me rijden. Door het patrijspoortje van zijn bivakmuts zag ik zijn neus, mond en ongeschoren kin. Ogen waren verborgen achter een sportieve zonnebril. Na het gebruikelijke ‘Where are you from?’, nodigde de man ons uit om bij hem en zijn vrouw, die ook van fietsen hield als het maar niet te ver was, te komen logeren. Voor 24 euro inclusief koffie, wifi en raki, voegde hij eraan toe. Toen we zijn genereuze aanbod halverwege de afdaling afsloegen, daalde hij naar 20 euro. De prijs voor het logement zakte nog een tweetal kilometers verder met ons mee tot 10 hele euro’s toen we langs zijn huis rolden zonder te stoppen. 

Toen we even later het niet als zodanig herkenbare centrum van Cetinje binnenreden, zou het nog tien minuten duren voordat we iemand tegenkwamen op wiens uitnodiging we wél in zouden gaan.

Een kleine supermarkt en een grote naderende bui maakte dat we even van de fiets gingen. Nicole ging boodschappen voor het avondeten halen (een eenpansgerecht want we sliepen die nacht in de tent) en ik bleef buiten bij de fietsen staan wachten, kijkend naar het onweer dat ons al enige tijd op de hielen zat en ons eindelijk, op de drempel van de supermarkt had ingehaald. Dikke spetters werden losgelaten en maakte dat ik wat dichter naar de gevel van de winkel kroop.

En toen verscheen er een klein vrouwtje ten tonele. Oud en volledig in het zwart, als bakeliet. Ze liep me voorbij richting ingang van de supermarkt maar stopte bij het zien van onze bepakte fietsen. Ze liep een kordaat rondje om de fietsen heen, de regen negerend. Ik keek haar verwachtingsvol aan.

‘Waar kom je vandaan?’, vroeg ze met woorden die verdacht veel op Italiaanse woorden leken. Ik antwoordde haar in het Spaans dat ik, waar mogelijk, verrijkte met een Italiaanse melodie. 

We begrepen elkaar. 

Het oude besje liet in korte tijd weten 93 jaar oud te zijn maar in haar koppie was ze nog een ‘teenager’, zo zei ze. Ze wees daarbij met een kromgegroeide vinger naar de zijkant van haar hoofd en lachte haar nog resterende voortanden bloot.

Ze liep de supermarkt binnen en liet me in de regen achter met een glimlach op mijn gezicht.

Terwijl de glimlach nog wat na sudderde, kwam Nicole de winkel uit. Buiten was inmiddels sprake van een enorme hoosbui en terwijl we haastig onze regenkleding opdiepten uit een van de fietstassen stond het oude dametje van zonet alweer achter ons. Ze wilde ook nog even met Nicole kennismaken. Ook Nicole vertelde ze trots over haar hoge leeftijd en jonge geest, waarna ze vroeg of ze nog iets voor ons kon doen. Nicole en ik wisselden snel een blik maar konden niet bedenken wat dit lieve vrouwtje voor ons zou kunnen betekenen. 

‘Kan ik jullie misschien helpen met een koffie of een borrel?’, verduidelijkte ze en voegde eraan toe dat ze hier om de hoek woonde. Opnieuw wisselden Nicole en ik een snelle blik maar terwijl we dat deden, hoorde ik mezelf al instemmen met een kop koffie. De regen en het vrouwtje duwden ons de hoek om waar we de fietsen tegen de gevel van een groot geel huis parkeerden. De vrouw haalde de zware deur van het slot. 

De deur werd met een zwaai geopend en 6 kattenogen staarden ons aan. De plotselinge geur van 10 vuile kattenbakken woog zwaarder dan de voordeur en bracht ons even aan het wankelen. ‘Oh jee!’, dachten Nicole en ik in koor.

Toen we ons door de eerste walm heen hadden gewerkt, ging alles heel snel en tegelijkertijd ook heel langzaam.

Het vrouwtje begon met het opzetten van water voor de koffie (‘Solo caffé Turco’, verontschuldigde ze zich). Vervolgens werden we zonder duidelijke aanleiding de tuin ingeleid. Daar ging de vrouw voor ons op zoek naar plantjes (de Salvia Divinorum) met medicinale krachten (‘magia’, noemde ze het). Ze plukte er twee stekjes van die ze in een oude krant met foto’s van blote vrouwen wikkelde. De ingepakte stekjes legde ze voor ons op tafel, waarna ze achter me in een lade van een antieke commode kast ging rommelen. Er werd een stapel paperassen op tafel gegooid. ‘Eccola’, klonk het (alsjeblieft). In die stapel ging ze op zoek naar een recept voor de Salvia plantjes (waarom en waarvoor was voor ons een raadsel). Dit duurde even, ze nam haar tijd, maar ondanks dat vond ze het recept met het plantje niet. 

Ondertussen kookte het water voor de Turkse koffie al enige tijd maar hier had ze geen erg in want nu was het tijd om ons een voor een voor te stellen aan haar katten. Namen en de betekenissen daarvan werden ons voorgeschoteld. We waren blij dat er maar vier katten in huis aanwezig waren want anders was het hele keteltje water voor de koffie verdampt. 

De rommelige keuken

Toen ze dan eindelijk de rommelige keuken in ging om de Turkse koffie in het kokende water te roeren, onderbrak ze die bezigheid om ons een pot stroop voor te houden. ‘De verdura’, zei ze en wees op de pot. Trots liet ze weten dat ze de stroop zelf gemaakt had. We moesten natuurlijk proeven. 

 Ze ging weer terug de keuken in. Niet om de koffie eindelijk gereed te maken maar om twee theelepeltjes voor de stroop op te diepen. De pot ging open, de theelepels werden aangereikt (‘Eccola’) en het proeven kon beginnen. Uiteraard was het heerlijk. Het smaakte naar stroop. We staken onze duimen ferm in de lucht waarop ons weer een blik op haar selecte verzameling tanden werd gegund. Opnieuw dook ze de keuken in. Nu voor een glaasje met water. Hier konden we de vuile theelepeltjes in zetten. ‘Eccola’.

Toen verdween mevrouw Eccola een voorraadkast in, en verdween uit het zicht. Nicole en ik keken elkaar vragend en lachend aan. Waar waren we in verzeild geraakt?

Daar was ze weer. Dit keer met twee lege jampotjes in haar handen. ‘Eccola’. Ze zette de potjes op tafel. Een van de potjes was hartstikke vies dus toen ze de keuken weer in ging om opnieuw water op te zetten voor de Turkse koffie, verstopte ik het vieze potje snel voordat ze het voor ons ging vullen met stroop. 

Terug bij ons aan tafel en gewapend met een eetlepel, lepelde ze de stroop in het veel kleinere jampotje. Lange draden van stroop vielen op de tafel en het vloerkleed. Het werd een janboel. Toen er uiteindelijk een flinke bodem stroop in het potje terechtgekomen was, zeiden we dat het zo wel genoeg was. Daarbij lieten we het woord koffie een paar keer vallen om haar aandacht terug te vestigen op het inmiddels allang weer kokende potje water. Dit lukte. 

Deels

Tijdens het inschenken van het tweede kopje koffie (zelf dronk ze alleen ‘s morgens koffie) kreeg ze wéér een ingeving. ‘Bij de koffie horen bonbons’, hoorde ik haar zeggen. Vanuit de keuken liep ze, al ‘bonbon’ roepend en met haar handen zwaaiend boven haar hoofd alsof ze twee gloeilampen tegelijk in hun fittingen draaide, naar het tv-kastje in de voorkamer. 

Wij werden nu een beetje melig en baldadig tegelijk en begonnen ook ‘bonbon’ te roepen. Met z’n drieën in koor herhaalden we nu steeds harder het woord ‘bonbon!’. We gierden het uit.

Ze haalde een enorme rechthoekige doos uit het tv-kastje tevoorschijn. De doos zat nog in het folie dus het duurde even voor die was uitgepakt. Natuurlijk moesten de bonbons op een mooi bordje worden geserveerd dus stoof ze weer de keuken in. Ze kwam terug met iets Delfts blauw-achtigs. Ze veegde het bordje schoon met de mouw van haar vest en zette het met een smak voor ons op tafel. ‘Eccola’.

De doos met chocolade werd in zijn geheel boven het bord omgekeerd. Aan beide zijden vielen een viertal bonbons naast het bord. Ook dit was nu om te gieren. De stemming was uitgelaten. Ze greep de muitende chocolaatjes met een grote zwier van tafel en vervolmaakte de chocoladetoren op het bord. ‘Eccola’.

Plotseling viel haar oog weer op de stapel paperassen die nog steeds op tafel lag. Alle gekheid ging op een stokje want ze besloot opnieuw te gaan zoeken naar het magische recept met de Salvia. Een voor een werden de envelopjes opengevouwen. Het recept zat er weer niet tussen.

En wij maar wachten op de koffie.

Terwijl de oude dame naar het recept zocht snoepten Nicole en ik alvast een chocolaatje van de toren. Ze smaakten naar banaantjes, die schuimsnoepjes van vroeger en nu.

Eindelijk was er tijd om de tweede kop koffie in te schenken. Er werden nog snel even twee schoteltjes uit de rommelkeuken tevoorschijn getoverd waarop de koffie kon worden geserveerd (‘Eccola’). Ze vroeg of we suiker in de koffie wilden maar om praktische redenen besloten we de koffie zwart te drinken. We zaten onderhand al een uur bij de vrouw in de kattenbak en dat was lang zat. In ieder geval lang genoeg om het buiten te laten opklaren.

De koffie, en dat moet gezegd, was uitstekend van smaak maar het werd nu toch echt tijd om verder te fietsen. We hebben de vrouw geknuffeld en ze wenste ons een gezonde reis en een gezond leven toe. Toen we haar bedankten voor de koffie, Salvia plantjes, stroop en bonbons (ze schoof ze van het bord zó in een plastic zak en gaf ze allemaal mee), zei ze dat ons bedankje voor haar geschenken niet op z’n plaats was. De enige die je mocht bedanken, zo zei ze, is de Heer. En ook dan alleen als het écht nodig was, voegde ze eraan toe.

De lieve schat

Een tijdje aan de waterkant

Niet lang geleden stonden we, omringd door hoge bergen, met onze tent op een vlak stukje gras. Aan de rand van het veldje zocht breed water zijn weg tussen de bergen naar een verder gelegen meer. Routineus, zoals het dat al duizenden jaren deed. Tot een boot het water in twee stromen spleet, waarvan er een met mijn voeten kwam spelen. 

Het vlakke stukje gras

Zonder dat het stil was gold er absolute stilte aan de rand van dat veldje. In slechte romans noemen ze die sfeer vredig. De zon spande zich matig in om een vroeg buitje te laten verdampen. En geef ‘m eens ongelijk.

Ik hoorde daar aan het water niets dan geluiden die pasten in de natuur die ik voor me zag. En dan reken ik de menselijke stem daar ook toe want we waren niet de enigen in het vriendelijke dal. 

Mijn uitzicht daar aan het water

Links van me hoorde ik een vrouw iemand een handvol woorden toewerpen. Een boodschap want er werden geen woorden teruggegooid. Het was moeilijk in te schatten hoever de vrouw van me verwijderd was want de bergen rondom fungeerde als een klankkast van het allerbeste hout. Ieder geluid droeg ontzettend ver en kwam in afgezwakte vorm dikwijls terug. Het deed me denken aan de whispering gallery van St. Paul’s Cathedral in Londen. Het moet ergens in 1986 of 1987 geweest zijn. Ik fluisterde er met een stem die me weldra zou verlaten, woordjes via de wand naar een klasgenoot die zich aan de andere kant van de koepel bevond. In mijn gedachten zag ik de woorden hoog langs de koepel naar de overkant kruipen. Bovenlangs, dat leek me de weg met de minste obstakels want er zaten meer kinderen zoals wij tegen de muur te smoezelen. Zouden de woorden de zwaartekracht kunnen trotseren, vroeg mijn jonge ik zich destijds af. Zouden ze bovenin de punt van de koepel andere gefluisterde woorden ontmoeten die zich daar misschien mengen met die van mij, waardoor er aan de andere kant verdraaide zinnen ontstaan?

Gekonkel in de kathedraal. 

Woorden en beelden lieten zich in mijn pubertijd net zo gemakkelijk mengen als een paar dagen geleden in dat groene dal.

Zo klonk het geluid van de vele zwaluwen daar als gekwebbel tijdens een receptie. Je hoort het onafgebroken maar je luistert er al snel niet meer naar. Wat ik wél deed, was kijken naar hun scherende vluchten over de waterspiegel. Wat ik daarin óók zag, waren de Sturzkampfflugzeugen (Stuka’s) die jarenlang in zwart-wit door mijn klaslokaal vlogen als de Tweede Wereldoorlog weer begon in 4 mavo. 

Precisiewerk.

Op een steenworp afstand van onze tent stond trouwens een andere herinnering aan vroegere tijden. Tijden waarin Joegoslavië (en via Joegoslavië de Sovjet-Unie) het hier nog voor het zeggen had en deze plek hadden uitgezocht om de Russische soldaten te eren die in 1945 Europa van Hitler-Duitsland hadden bevrijd. Het enorme monument, op deze prachtige kleine plek, maakte op mij een misplaatste indruk. Een zware stempel waarvan de inkt al even is opgedroogd. 

Maar dat is wat míjn ogen zien. 

De ogen van hier kijken anders. Die kijken tevreden na het netjes ophangen van een poster van Vladimir Poetin. Ik heb het zelf gezien, voor iedere hoek werd met zorg een rode punaise uit het bonte bakje gezocht. De tijd, kortom, wordt hier nog voor een deel met hamer en sikkel vervaardigd en er is meer dan voldoende van.

Ik kon stiekem een foto (van ver) maken van de Poetin-poster

De toeter van een auto bracht me terug naar het groene veldje tussen de bergen. Toen ik omkeek in de richting van de weg en het geluid, zag ik een bedaagde vertegenwoordiger van de veehoudende stand zijn schapen opdrijven met de bumper van zijn eveneens bejaarde Volkswagen Polo. Half uit het raam hangend zwaaide hij als een bedreven polospeler met zijn stok naar de kudde. Alleen bij de brug stapte hij uit de auto om de dieren te voet naar de overkant te dirigeren. Eenmaal de brug over, kroop hij weer achter het stuur en bumperde de schapen verder richting de plek waar ze nodig naartoe moesten.

En zo zit ik maar wat langs het water terwijl Nicole naast de tent een boek leest. Een uur gaat voorbij en zonder ook maar iets te doen ben ik een ervaring rijker en daar gaat het volgens zeggen toch om in dit leven.

Mostar, een sterk verdeelde stad

Op Mostar vlieg je aan. Ook op de fiets. Als een malle dalen we de vallei in. Een enorme katholieke begraafplaats is het eerste waar we tegenaan fietsen. Duizenden graven van glanzend zwart marmer maken dat je je blik van de stad, die vóór ons uitgespreid ligt, afwent. De dood is in Mostar nergens ver weg en trekt al meteen je aandacht. Zoals ook de kapotgeschoten huizen die zich aftekenen tegen de nieuwbouw die van de stad een stad maken. Mostar is prachtig maar heeft een rafelige rouwrand overgehouden aan de Bosnische oorlog uit begin jaren negentig. Was het vóór die oorlog nog een etnische smeltkroes, daarna werd Mostar een sterk verdeelde stad.

Herinnering aan een verwoestende oorlog

Na de vlugge verkenning op de fiets, zijn we wat door de stad gaan wandelen. We lopen vanaf de islamitische kant, het oosten, naar het katholieke westelijke deel van de stad. De twee bevolkingsgroepen leven hier in zuilen zoals dat in Nederland ook lange tijd gebruikelijk was. Zo zijn er in Mostar aparte scholen, aparte sportverenigingen, ziekenhuizen, postkantoren en zelfs taxi- en busbedrijven voor de moslims en de katholieken. Spitse minaretten schieten her en der uit de grond als priemende piketpalen van de oosterlingen. De westerlingen spiegelen dat beeld met hun (ook priemende) kerktorens en kruizen. De klokken en de muezzin bieden tegen elkaar op voor gods gebed. 

Spitse minaretten

Mostar kent twee leefwijzen die halverwege de jaren negentig als vloeistoffen van verschillende viscositeit in hetzelfde kommetje zijn gegleden en maar moeilijk mengen. Om de twee toch te laten mengen ga je in de scheikunde op zoek naar een emulgator. Hier in Mostar werkt de toerist als emulgator. Toeristen zijn dol op het passeren van grenzen en slenteren kriskras van oost naar west en andersom. Daarbij wordt het vakantiegeld aan alle kanten uitgegeven en zolang ze dat in groten getale blijven doen, toont Mostar zich aan de oppervlakte een leefbare emulsie. 

Overigens roeren de Aziaten flink in het kommetje van Mostar. Niet alleen stromen busladingen met Aziatische dagjesmensen leeg over de Stari Most (oude brug), de blikvanger van de stad, ook hangt de stad vol met enorme billboards die een mede door China geïnitieerde ‘International Business Fair’ aankondigen. Ongetwijfeld een beurs met onbegrensde mogelijkheden als het op ondernemen aankomt maar er dienen hier in Mostar vooral etnische grenzen beslecht te worden want onderhuids smeult een religieuze veenbrand.

China ziet kansen in Mostar

Toen in 2004 de oude Ottomaanse brug, ruim tien jaar na zijn vernietiging door de Kroaten, feestelijk werd heropend, lieten de christelijke leiders van Mostar (bisschop) en omstreken (kardinaal uit Sarajevo) het afweten. Ze hadden ‘andere verplichtingen’. In plaats van verzoenen kozen ze voor het verscherpen van de tegenstellingen. Ze wilden, en willen, de herstelde brug niet erkennen als teken van verzoening en vreedzaam samenleven omdat volgens hen de moslims hun 33 meter hoge verlichte (’s nachts letterlijk en volgens christenen waarschijnlijk gedurende de hele dag ook figuurlijk) kruis op de Hum-berg beschouwen als een doorn in het oog. 

Een wedstrijdje ‘Wie is de hoogste?’

Voor de moslims is het kruis inderdaad een doorn in het oog omdat tijdens de oorlog degene die de Hum-berg controleerde, in feite de controle over de stad had. Door het enorme kruis juist dáár te plaatsen voelt het voor de moslims of de katholieke kerk de religieuze macht over Mostar claimt. Als buitenstaander is het onmogelijk je in het gevoel van de betrokkenen te verplaatsen maar dat er sprake is van gevaarlijke provocatie over-en-weer is evident. Iedere bouw van weer een nieuwe spitse toren (kerk of minaret) voelt voor de andere partij alsof de ogen worden uitgestoken.

Iemand op Instagram stuurde ons, in reactie op een aantal foto’s die we hadden gepost, een privé berichtje. Hij was in 1994 in Bosnië en Herzegovina en vertelde dat hij er geen leuke herinneringen aan heeft overgehouden. In zijn laatste berichtje schrijft hij: “Zonde van zo’n mooi land, zo vergiftigd… maar geniet van de schoonheid en lieve mensen”

Dat laatste doen we met volle teugen.

De talloze verleidingen van Šibenik

We zitten aan een tafeltje in een van de oude straten van Šibenik, waar de prachtige steegjes het nog net niet verliezen van de toeristen, en kijken recht in de scheve snuit van een katholieke kerk. Het kerkje staat links en rechts in de steigers maar er wordt niet aan gewerkt. Zo te zien al jaren niet want de ankers en keilbouten zijn roestig. 

Rechts, om de hoek van de kerk, troepen bejaarde toeristen achter een jongeman aan die alles in vermoeid Spaans uitlegt. De groep toehoorders draagt oranje koptelefoontjes waarmee ze in contact staan met de gids en die ze de vrijheid geeft om wat uit te waaieren. Voor de mond van de gids bungelt een microfoon. 

De Spanjaarden tonen zich fanatieke fotografen. Twee mannen zijn met filmcamera’s in de weer. Zij staan noodgedwongen op de lip van de gids zodat er toch nog wat van zijn gedempte woorden op de band terecht komt. 

Helemaal achteraan het groepje treuzelt een jonge gozer. Hij draagt een nonchalante rugzak en een baseball petje. Hij doet erg zijn best om niet bij het belegen clubje toeristen te horen maar de oranje koptelefoon op zijn oren vertelt een ander verhaal. Hij weet het maar doet toch een poging onzichtbaar te zijn. Uit medelijden schiet ik hem in mijn gedachten te hulp en maak van hem een aspirant gids die zijn snuffelstage beleeft.

Als even later de groep is gepasseerd, stappen twee stoffige werklieden, niet gespeend van enige vroomheid, het scheve kerkje binnen. De groene deur blijft op een kier staan waardoor ik de verleiding niet kan weerstaan om even naar binnen te gluren. Ik sta op van ons tafeltje en loop naar de kerkdeur, die ik nog iets verder openduw. Een paar tellen sta ik oog in oog met een heilige werkplaats. Het schip van de kerk ligt vol met steigerdelen waarvan de twee mannen er één naar buiten dragen. De deur gaat direct weer dicht en op slot. 

Terug aan ons tafeltje valt me de heilige Johannes op die boven de kerkdeur staat afgebeeld. Hij ziet er opvallend nieuw uit en steekt zijn rechter wijsvinger in de lucht. Wil hij iets zeggen? Wil hij even de aandacht? Wil hij ons waarschuwen? Of wijst hij ons op de hemel? In ieder geval brengt hij me op een idee. Ik steek dezelfde vinger in de lucht om de aandacht van de bediening te vragen en bestel nog twee cappuccino’s.

Wie in ieder geval de zegen van boven ontvangen, zijn twee katten in de straat links van ons. Vol verwachting kijken ze met strakke blik vanaf het plaveisel naar een raam op de derde verdieping. Zij weten wat er gaat komen. Wij nog niet. Dan is er beweging op de derde verdieping en een kantelraam klapt open. Beide katten nemen hun posities in en laten zich door niets of niemand meer afleiden. De focus is geheel gericht op de dame die haar hoofd door het kantelraam naar buiten steekt om te zien of de ontvangers van haar zegen op de afspraak zijn. Een scherpe miauw klinkt ter bevestiging. Geritsel klinkt. De katten draaien nog een keer om hun as zonder dat ze de vrouw uit het oog verliezen. Dan valt de beloning uit de hemel en storten de beide katten zich op het lekkers. Ik kijk met een schuin oog naar de heilige Johannes. Zijn vinger hoog de lucht in en zie ik iets van een knipoog?

Na de koffie laten we ons door andere katten diep het oude centrum van Šibenik in lokken.

We zien een dikke rode kat die uitdagend ligt te rollen. We lopen erheen en aaien ‘m. Dan, iets verder weer, een klein zwart-wit kattenkopje.

We roepen en fluiten lokkend maar deze kat geeft niet toe. Nog iets verder ligt een poes heerlijk te slapen in een plantenbak.

We gaan ernaartoe en maken een foto. En zo raken we steeds verder weg van bekend terrein en steeds dieper verdwaald in het doolhof van de stad.

Trapje op trapje af. Hoekje om, poortje door. We lopen net zo lang door totdat de oude kronkelige stad eindelijk genoeg van ons heeft en ons plotseling weer uitspuugt op bekend terrein. Precies op tijd om onze tassen te vullen met verse proviand. 

En daarmee zijn we klaar voor de volgende etappe langs de warme kust van Kroatië. Op weg naar Split.

Translate »