• info@pedalenenverhalen.nl

– Het Loempia-Avontuur

Proeven van Istrië

Hier bij café Epoca staat de zon netjes voor de deur te wachten. Hij wil erin, net als ik, maar waar de zon de toegang wordt geweigerd, mag ik naar binnen en bestel een cappuccino. Ik ben alleen in het grote café op de hoek van de Obala Maršala Tita en de Eugena Kumičića, twee straatnamen die klinken als rinkelend losgeld waarvan ik de waarde niet ken. Het terras is gevuld met mensen die de kant van de zon hebben gekozen.

De zomer likt alvast wat aan het schiereiland. Het wil even proeven van Istrië zoals het werkelijk is. Het pure, zonder de mierzoete, en snel overheersende, smaak van het toerisme, want dat moet hier nog op gang komen. Er liggen een paar luxe jachten lui tegen de steigers van het casino, maar dat telt niet. Istrië is nog even van de Istriërs. En van de zon dus.

We zijn in Poreč, Kroatië. De Italianen noemen het Parenzo waardoor de stad meteen begint te huppelen. Ooit behoorde deze prachtige stad toe aan de Romeinen. Toen was het de beurt aan de Byzantijnen die hier een bisschop achterlieten. Daarna werd er gekozen voor Venetiaans bestuur, wat weer een doorn in het oog van de Genuezen was, met alle gevolgen van dien.

Het is hier altijd blijven rommelen maar nu zijn de toeristen hier de baas. De toeristen lijken alles te overwinnen en zijn hard op weg naar wereldheerschappij. Wat het fascisme of het nationaalsocialisme kwaadschiks nooit lukte, lijkt het toerisme zonder probleem voor elkaar te krijgen. Het is een paard van Troje die met man en macht naar binnen wordt gesleept. Waar zijn de verdedigingslinies opgeworpen? Waar staan ze nog overeind? 

De tsunami aan toeristen is niet meer te stoppen. Westerse toeristen koloniseren al jaren zeer effectief, en voeg daar de nóg efficiëntere neotoeristen uit Azië aan toe, en ook het laatste stukje ongerepte aarde wordt een casino. Hier in Poreč zijn er maar liefst vier (op een bevolking van 12000).

Wijzelf fietsen nu als vooruitgestuurde representanten van het Westerse toerisme naar Bali. Links en rechts zien we hoe de vlag erbij hangt en natuurlijk hangt die vlag halfstok. Streken die vroeger een zichzelf bedruipende bedrijvigheid kende, zoals hier in Poreč ooit de scheepsbouw het tempo bepaalde, zijn vandaag de dag overgeleverd aan de seizoenen van het toerisme. De ene helft van het jaar kent de stad een hopeloos eenzaam en leeg bestaan, de andere helft van het jaar voegt het zich slaafs naar de duizenden bezoekers die er hun gerief komen halen.

Nu, zo tegen het einde van maart, is het eigenlijk de mooiste tijd van het jaar hier in Poreč. Je ziet iedereen bewegen in het ritme dat precies past bij deze fraaie kustplaats. Niet het hebberige ritme van het hoogseizoen of het landerige van het laagseizoen. Iedereen staat op ‘en gaat weer eens wat doen!’. Alles kan nog even ‘voor de drukte uit’. Er is tijd voor een praatje, er kan nog gewacht worden want er is nu meer dan genoeg adem voor iedereen. Het hart klopt nu in zijn natuurlijke ritme.

Voor ons het juiste moment en de juiste plaats voor een rustdag.

Op de vlucht

Als we op woensdag Salzburg binnen rijden weten we dat we het de komende dagen makkelijk gaan krijgen. We volgen namelijk vanaf hier de Alpe Adria Radweg. Lekker de bordjes volgen dus. De fietsroute loopt van Salzburg naar Grado. We besluiten om er een deel van te fietsen. Van Salzburg naar Böckstein gaat het behoorlijk berg op. Vooral het stuk bij Lend en het laatste stuk in Bad Gastein zijn heel erg pittig. We hebben soms het gevoel dat de fietsen steigeren, maar gelukkig weigeren onze benen niet en redden we het boven te komen. We krijgen onderweg regelmatig te horen dat we de eerste fietsers zijn op de route. We krijgen duimen als goedkeuring voor het fietsen in de regen en de sneeuw. En men is verbaasd dat we met dit weer kamperen. Zo af en toe pakken we een hotelletje of Warmshowers voor wat comfort. 

De start was winters

We hebben in Tricesimo in Italië een Warmshowers geregeld bij Lorenzo. Als we in Villach zijn berichten we hem dat we denken dat we er over 2 dagen zijn. Volgens Lorenzo kan het in 1 dag, want na Tarvisio gaan het alleen nog maar bergaf. Hij laat weten dat het hem niks uitmaakt of we dinsdag of woensdag komen en ook niet hoe laat. De Alpe Adria route is prachtig, maar na Tarvisio is het schitterend. We fietsen over oude spoorlijnen die nu geasfalteerd zijn langs vervallen stationnetjes. Door tunneltjes die soms wel en soms niet zijn verlicht. En langs prachtige watervallen. 

Bergafwaarts over de oude spoorlijn

We hebben aardig de vaart erin en denken zelf ook dat het mogelijk moet zijn om nog diezelfde dag bij Lorenzo te overnachten. Hij heeft ons gevraagd of we pizza of pasta willen eten. Wanneer we zelf koken is pasta makkelijk te bereiden, dus kiezen we voor pizza. 

De dag ervoor heeft het tijdens onze fietstocht naar Villach gesneeuwd. Daardoor zijn sommige stukken van de route onbegaanbaar en moeten we soms terug om een andere route te volgen. De komende dagen wordt het prachtig weer, maar deze dag is het nog best fris. Naarmate het einde van de middag nadert begint het al behoorlijk af te koelen, Tricesimo ligt volgens mijn app aan de Alpe Adri Radweg, maar als we er bijna denken te zijn blijkt dat we een compleet ander pad gevolgd zijn. Volgens de bordjes zitten we op het juiste spoor, maar volgens mijn app niet. Het is 19:00 uur en we hebben 113 km gefietst. Ik ben er klaar mee. Ik snak naar die pizza maar kan het niet opbrengen nog eens 20 km in de het donker te fietsen over een onverharde weg vol kuilen. 

We zijn gestopt bij een groot stuk land en besluiten om daar te gaan wildkamperen. De vorige keer ging dat prima, dus waarom nu niet. Toen hadden we de tactiek om bij schemer eerst te koken en te kijken of er iemand langs zou komen. Nu is het echter al donker dus besluiten we om eerst de tent op te zetten. We lopen een flink eind het grasland in en besluiten bij een bomenrij de tent op te zetten.

Dan vliegt er plots een helikopter akelig laag over. Hij zwaait met een schijnwerper. Dennis grapt dat ze naar ons op zoek zijn. We hebben net de tent uit de tas als ik wat hoor rennen langs het water, tegenover onze bomenrij. Ik volg het geluid, maar kan niet zien wat het is. Volgens Dennis is het gewoon een beest. Dan moet het een heel groot beest zijn. Er vliegt een tweede helikopter over. Deze heeft geen schijnwerper maar rood licht. De eerste vliegt ook nog steeds in kleine rondjes om ons heen. Dennis denkt hardop: ”Misschien wordt er iemand gezocht?”. Weer horen we het geluid. Het is alsof er iemand achter de struiken bij het watertje rent.

We staan aan de grond genageld.

Plotseling horen we een auto over het fietspad waar wij vandaan zijn komen fietsen. Het is een klein autootje. Misschien een Smart. We horen een duidelijke mannenstem die de auto tot stoppen maant. Het portier van de auto gaat open en sluit snel weer. De auto rijdt verder. 

Is er iemand op de vlucht? Staan we de tent soms in de buurt van een gevangenis op te zetten? 

Ik ben er helemaal klaar mee. Stop de tent in de tas en we lopen vlug terug naar het pad waar we vandaan kwamen. Die 20 km extra naar Lorenzo en zijn pizza, lijken ineens een stuk aantrekkelijker. 

Als kerstbomen volgehangen met verlichting vervolgen we onze weg naar Warmshower-Lorenzo. 

Wat ben ik blij als we daar om 21:00 uur dan eindelijk zijn.

Lorenzo op z’n best

Vol enthousiasme worden we begroet. Ons bedje staat klaar en het deeg voor de pizza’s ligt op ons te wachten. Na een warme douche geeft Lorenzo ons een workshop pizza maken. Lorenzo is een kruising tussen Bart Chabot en Dolf Jansen. Hij heeft zoveel energie dat hij 3 keer zo snel praat als dat wij doen. Hij heeft zoveel energie en zoveel te vertellen dat ik meteen uit mijn energie-dip ben. Om 22:30 uur eten we heerlijke pizza’s en om 23:30 uur rollen we moe maar voldaan ons bed in. Ik mag niet helpen opruimen, maar vraag me af wat hij aan het doen is in de keuken. Het lijkt op een verbouwing zoveel kabaal maakt hij. Tijdens zijn verhalen ging hij, wanneer hij enthousiast werd, steeds harder praten. Wellicht vindt hij afwassen ook fantastisch. 

Lorenzo fiets een stukje met ons mee richting Cividale

Monaco in de Bergen

We rijden Bad Gastein op. Zo moet je het zeggen want het stijgingspercentage naar dit in verval geraakte kuuroord is gigantisch. Ik heb halverwege de klim het hart op de tong. Letterlijk, want mijn hartslag bevindt zich in het dieprood en klimt met me mee tot het mijn wijd openstaande mond bereikt en zich via mijn tong een weg naar buiten spuugt. Ik moet om de 30 omwentelingen stoppen om mijn hartslag terug te brengen naar de plek waar het hoort. Nicole gaat het steile klimmen beter af.

Wanneer we het oude centrum richting de imposante waterval binnen kruipen, zie ik een Oost-Europees ogende vrouw met haar mobiele telefoon foto’s maken door het vuile raam van een leegstaand hotel. Ze wijst naar binnen en dwingt haar man te komen kijken naar alles wat ze aanwijst. Kurhotel Mirabell staat er op de gevel. Terwijl de man naar het vuile raam loopt, moet ik denken aan het programma ‘Ik Vertrek’ en bezie het stel nu als deelnemers aan pakweg de Tsjechische versie van dat programm (Odcházím). Dat worden lange draaidagen want aan dat Kurhotel zullen ze een flinke klus hebben. 

Ik kijk hijgend naar de waterval net voorbij het Kurhotel Mirabell en buig af naar rechts. 

Fietste ik hier eind negentiende eeuw naar boven, dan zou ik na deze bocht aan het zuurstof moeten. Dan was ik het adembenemende Bad Gastein binnen gefietst op het (letterlijke) hoogtepunt van de Belle Époque. Dan had ik mijn fiets op het plein voor Hotel Straubinger geparkeerd en was ademloos gaan zitten kijken naar de ‘beau monde’ van het ‘fin de siècle’. Keizer Wilhelm I had ik hier zomaar aan kunnen treffen, of zijn kanselier Otto von Bismarck die we onderweg zoveel zijn tegengekomen in allerlei statige standen van steen. Of wat dacht je van Sisi, de keizerin van Oostenrijk? Ze waren hier destijds veelvuldig om het nuttige (staatszaken) met het aangename (kuren) te combineren. Zo werden grote en kleine kwalen gelijktijdig onder handen genomen.

Het eens zo statige Hotel Straubinger

Alle groten der aarde kwamen hier destijds in het ‘Monaco in de bergen’. Nu zie je er, behalve twee Oost-Europese gelukzoekers, geen hond meer. De begane grond van Hotel Straubinger, ooit het grootste en statigste hotel van Bad Gastein, is rondom dichtgetimmerd. De grandeur van welleer zie je alleen nog als je je ogen toeknijpt en door je oogwimpers naar het hotel kijkt. 

Het doet een beetje pijn. 

Vergane glorie roept bij mij altijd een verlangen op om de dingen nog eens te beleven zoals ze ooit waren. Nog één keer wil ik de piccolo met de in gouddraad opgesierde letters H en S op de linkerborst aan het werk zien met de valies van hooggeplaatste gasten. Ik zou willen zien hoe het banket werd klaargemaakt, hoe het menu van de dag handgeschreven en -gevouwen zijn plek heeft op een weelderig gedekte tafel en hoe de gasten hun plaats aan de tafel werd aangewezen. Ik wil horen hoe er wordt geconverseerd, gekonkeld en gekoketteerd.

Maar ik hoor en zie niets.

Dan zie ik de schuin uitgesleten natuurstenen drempel van het hotel. Dichterbij het verleden kan ik niet komen omdat de gehele gevel is afgeschermd met ijzeren hekken. Ik schuif het hek bij de entree zover ik kan richting de natuurstenen drempel. De stilte maakt plaats voor een, onverwachts hard, schrapend geluid. Als het hek de drempel bijna raakt steek ik mijn voet door de ijzeren mazen en zet een stap op de drempel van het oude hotel en treed zo in de voetsporen van Keizer Wilhelm I, Johann Strauss, Sisi, William Somerset Maugham, Otto von Bismarck en vele anderen, maar vooral toch in die van de piccolo. 

En wie zou hier niet nog graag eens een kaartje willen leggen?

Mijn beelden van grandeur en vergankelijkheid mengen zich naar het ‘Grand Hotel Europa’ van Ilja Leonard Pfeijffer. In het boek gaat de schrijver naar een in verval geraakt hotel ergens in Europa waar hij zijn stukgelopen relatie, en nog veel meer, tegen het licht houdt. Ik las het een paar weken voor ons vertrek maar merk dat de beelden die mijn eigen verbeelding bij de woorden van Pfeijffer produceerden hier pas hun definitieve vorm krijgen. Hotel Straubinger ís voor mij Grand Hotel Europa maar waar het hotel in de roman door een Chinese investeerder gereanimeerd wordt om de gretige Aziatische toerist te lokken, verliest Hotel Straubinger hier in Bad Gastein langzaam maar zeker de strijd tegen de elementen.

Helaas staan Hotel Straubinger en Kurhotel Mirabell symbool voor het Bad Gastein van nu want ook Haus Austria, het Kongresshaus, het Badeschloss en het oude Postamt, stuk voor stuk monumentale bouwwerken, staan er leeg en vervallen bij.

Alleen voor fietsers is Bad Gastein nog altijd adembenemend.

Hier, in de keuken van het hotel, werden ooit de heerlijkste sterren-gerechten klaargemaakt

Gott im Himmel!

Het was een grauwe dag gevuld met regen en wind. De hemel hing in 50 tinten grijs als een adventskrans met gedoofde kaarsen boven onze hoofden. De omgewoelde akkers lieten hun zompig bruine zelfkant zien langs gods wegen. We hadden ons ingepakt in regenkleding, van top tot teen. Gebogen.

Zo reden we Grüss Gott-land binnen.

Dat we door god welkom werden geheten, werd me duidelijk op de weg naar Dachau. Niet alleen vanwege die enkele fietser die ons in het voorbijgaan namens de heer begroette, maar ook vanwege de Jezus-verschijningen langs de weg. Goeie god, het werden er steeds meer! 

Niet alleen langs de weg maar ook bij de mensen thuis hing Jezus aan het kruis genageld; stilletjes lijdend voor ons allen. Meestal in de tuin. De ene Jezus had overigens meer te lijden dan de andere. Dat kwam omdat er boven die Jezussen geen afdakje getimmerd was, zonder afdakje ranselde wind en regen het aangezicht van de gekruisigde. Anderen leden lekker in de luwte, met de rug naar de wind en droog omdat zij wel een afdakje hadden. 

De rit naar Dachau was voor ons een lijdensweg zonder afdakje.

Het concentratiekamp in Dachau hebben we niet aangedaan. De weersomstandigheden waren al troosteloos genoeg. Ons doel voor de dag lag in München waar Luis, een Argentijnse IT-er op onze komst zat te wachten. Dat beloofde heel iets anders.

Toen Luis de deur voor ons opendeed in de Eisenacherstrasse in München, leek het of we hem hadden gestoord in drukke bezigheden. Zuchtend en zoekend naar een prettige houding, begeleidde Luis ons naar de binnenplaats waar we onze fietsen konden parkeren. Een deel van de fietstassen ging beneden in de berging. De overige spullen gingen mee naar boven. Daar, in zijn appartement, kregen we een snelle rondleiding. Kamer, douche en toilet. De keuken kregen we niet te zien want koken deed Luis voor ons. De woonkamer had een zitgedeelte en een slaap/werk-gedeelte. Aan het voeteneinde van het bed van Luis stond een tafel met drie monitoren. Allen gaven licht. 

Terwijl Nicole ons stapelbed van schoon beddengoed voorzag, stond ik kennis te maken met Luis. Hij kwam langzaam los van de computerschermen in zijn slaapkamer en in zijn hoofd, waardoor we even later aan een biertje in de woonkamer zaten. Na het bier, de fanta en de uitwisseling van reiservaringen vroeg Luis ons of we de stad wilden zien. Dat wilden we.

Luis moest even zoeken naar zijn auto (geheel toevallig van het merk dat in nazitijd gebruik maakte van de dwangarbeid in kamp Dachau) omdat hij geen vaste parkeerplaats had. Even later kon de tour beginnen.

Luis reed ons langs het Olympisch stadion en langs iedere toegangspoort tot de oude stad. We zagen het Gestapo hoofdkwartier (platgebombardeerd), Hitlers woonhuis, de Universiteit, de bibliotheek, het oude klooster waar alles begon, het nieuwe klooster, de synagoge en kogelgaten in gebouwen en standbeelden. Hij liet ons uitstappen bij de koninklijke ‘Brauhaus’ en het riviertje midden in de stad, waar de stadsjeugd aan het golfsurfen was (temperatuur net iets boven het vriespunt).

Een golfsurfer, ’s avonds in hartje München

De mooiste plek waar Luis ons mee naartoe nam was Schloss Nymphenburg, de oude zomerresidentie van het Beierse hof. Het slot en z’n bijgebouwen hielden veel voor ons verborgen. Vanwege de harde wind waren de luiken van de bijgebouwen in de fantastische slottuinen gesloten. We konden nergens naar binnen spieken. Ook waren alle Griekse godenbeelden, die in lange rijen in de tuin stonden opgesteld, aan het oog onttrokken. Ze waren ingepakt tegen de winterse elementen zodat zij even helemaal niets te lijden hadden.

Mooier dan alle verhulde interieurs en godenbeelden was de lucht boven het slot. De hemel pakte groots uit. Het slot en de tuin werden in tweeën gedeeld. Boven de linkervleugel was de hemel woest en onheilspellend donker. Boven de rechtervleugel van het slot was de hemel helderblauw en zonovergoten met een enkel donzen wolkje als een lichte toets van de meester die schoonheid weet te pakken.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is IMG_3144-012.jpeg
Schloss Nymphenburg

En toen begon het spel. Het voltrok zich daar op die prachtige plek, recht boven onze hoofden. De wind zette zich schrap en begon aan te zetten. Regen sloeg ons met een natte doek op de wangen. Wolken daverden voorbij en de zon vocht voor iedere meter die ze prijsgaf.

Het spel is op de wagen

Luis begon snel naar de auto te lopen maar ik bleef staan en keek. Ik wees Nicole op het wolkentheater en ook zij bleef staan. We pakten elkaars hand.

De wolken kregen definitief de overhand maar de zon gaf zich niet zomaar gewonnen. Tegen de grijze achtergrond van buien en onheil verscheen, in de slottuin, op de voorgrond een scherpe regenboog. Ademloos stonden we te kijken toen er zich een tweede regenboog aandiende, minder fel maar ruimer bemeten. 

Kermis in de hel

‘Als de zon schijnt en het regent, is het kermis in de hel’, zei ik tegen Nicole en kneep even in haar hand. Nicole bleef ademloos kijken en kneep zachtjes terug.

Translate »