• info@pedalenenverhalen.nl

– Het Loempia-Avontuur

Mostar, een sterk verdeelde stad

Op Mostar vlieg je aan. Ook op de fiets. Als een malle dalen we de vallei in. Een enorme katholieke begraafplaats is het eerste waar we tegenaan fietsen. Duizenden graven van glanzend zwart marmer maken dat je je blik van de stad, die vóór ons uitgespreid ligt, afwent. De dood is in Mostar nergens ver weg en trekt al meteen je aandacht. Zoals ook de kapotgeschoten huizen die zich aftekenen tegen de nieuwbouw die van de stad een stad maken. Mostar is prachtig maar heeft een rafelige rouwrand overgehouden aan de Bosnische oorlog uit begin jaren negentig. Was het vóór die oorlog nog een etnische smeltkroes, daarna werd Mostar een sterk verdeelde stad.

Herinnering aan een verwoestende oorlog

Na de vlugge verkenning op de fiets, zijn we wat door de stad gaan wandelen. We lopen vanaf de islamitische kant, het oosten, naar het katholieke westelijke deel van de stad. De twee bevolkingsgroepen leven hier in zuilen zoals dat in Nederland ook lange tijd gebruikelijk was. Zo zijn er in Mostar aparte scholen, aparte sportverenigingen, ziekenhuizen, postkantoren en zelfs taxi- en busbedrijven voor de moslims en de katholieken. Spitse minaretten schieten her en der uit de grond als priemende piketpalen van de oosterlingen. De westerlingen spiegelen dat beeld met hun (ook priemende) kerktorens en kruizen. De klokken en de muezzin bieden tegen elkaar op voor gods gebed. 

Spitse minaretten

Mostar kent twee leefwijzen die halverwege de jaren negentig als vloeistoffen van verschillende viscositeit in hetzelfde kommetje zijn gegleden en maar moeilijk mengen. Om de twee toch te laten mengen ga je in de scheikunde op zoek naar een emulgator. Hier in Mostar werkt de toerist als emulgator. Toeristen zijn dol op het passeren van grenzen en slenteren kriskras van oost naar west en andersom. Daarbij wordt het vakantiegeld aan alle kanten uitgegeven en zolang ze dat in groten getale blijven doen, toont Mostar zich aan de oppervlakte een leefbare emulsie. 

Overigens roeren de Aziaten flink in het kommetje van Mostar. Niet alleen stromen busladingen met Aziatische dagjesmensen leeg over de Stari Most (oude brug), de blikvanger van de stad, ook hangt de stad vol met enorme billboards die een mede door China geïnitieerde ‘International Business Fair’ aankondigen. Ongetwijfeld een beurs met onbegrensde mogelijkheden als het op ondernemen aankomt maar er dienen hier in Mostar vooral etnische grenzen beslecht te worden want onderhuids smeult een religieuze veenbrand.

China ziet kansen in Mostar

Toen in 2004 de oude Ottomaanse brug, ruim tien jaar na zijn vernietiging door de Kroaten, feestelijk werd heropend, lieten de christelijke leiders van Mostar (bisschop) en omstreken (kardinaal uit Sarajevo) het afweten. Ze hadden ‘andere verplichtingen’. In plaats van verzoenen kozen ze voor het verscherpen van de tegenstellingen. Ze wilden, en willen, de herstelde brug niet erkennen als teken van verzoening en vreedzaam samenleven omdat volgens hen de moslims hun 33 meter hoge verlichte (’s nachts letterlijk en volgens christenen waarschijnlijk gedurende de hele dag ook figuurlijk) kruis op de Hum-berg beschouwen als een doorn in het oog. 

Een wedstrijdje ‘Wie is de hoogste?’

Voor de moslims is het kruis inderdaad een doorn in het oog omdat tijdens de oorlog degene die de Hum-berg controleerde, in feite de controle over de stad had. Door het enorme kruis juist dáár te plaatsen voelt het voor de moslims of de katholieke kerk de religieuze macht over Mostar claimt. Als buitenstaander is het onmogelijk je in het gevoel van de betrokkenen te verplaatsen maar dat er sprake is van gevaarlijke provocatie over-en-weer is evident. Iedere bouw van weer een nieuwe spitse toren (kerk of minaret) voelt voor de andere partij alsof de ogen worden uitgestoken.

Iemand op Instagram stuurde ons, in reactie op een aantal foto’s die we hadden gepost, een privé berichtje. Hij was in 1994 in Bosnië en Herzegovina en vertelde dat hij er geen leuke herinneringen aan heeft overgehouden. In zijn laatste berichtje schrijft hij: “Zonde van zo’n mooi land, zo vergiftigd… maar geniet van de schoonheid en lieve mensen”

Dat laatste doen we met volle teugen.

De talloze verleidingen van Šibenik

We zitten aan een tafeltje in een van de oude straten van Šibenik, waar de prachtige steegjes het nog net niet verliezen van de toeristen, en kijken recht in de scheve snuit van een katholieke kerk. Het kerkje staat links en rechts in de steigers maar er wordt niet aan gewerkt. Zo te zien al jaren niet want de ankers en keilbouten zijn roestig. 

Rechts, om de hoek van de kerk, troepen bejaarde toeristen achter een jongeman aan die alles in vermoeid Spaans uitlegt. De groep toehoorders draagt oranje koptelefoontjes waarmee ze in contact staan met de gids en die ze de vrijheid geeft om wat uit te waaieren. Voor de mond van de gids bungelt een microfoon. 

De Spanjaarden tonen zich fanatieke fotografen. Twee mannen zijn met filmcamera’s in de weer. Zij staan noodgedwongen op de lip van de gids zodat er toch nog wat van zijn gedempte woorden op de band terecht komt. 

Helemaal achteraan het groepje treuzelt een jonge gozer. Hij draagt een nonchalante rugzak en een baseball petje. Hij doet erg zijn best om niet bij het belegen clubje toeristen te horen maar de oranje koptelefoon op zijn oren vertelt een ander verhaal. Hij weet het maar doet toch een poging onzichtbaar te zijn. Uit medelijden schiet ik hem in mijn gedachten te hulp en maak van hem een aspirant gids die zijn snuffelstage beleeft.

Als even later de groep is gepasseerd, stappen twee stoffige werklieden, niet gespeend van enige vroomheid, het scheve kerkje binnen. De groene deur blijft op een kier staan waardoor ik de verleiding niet kan weerstaan om even naar binnen te gluren. Ik sta op van ons tafeltje en loop naar de kerkdeur, die ik nog iets verder openduw. Een paar tellen sta ik oog in oog met een heilige werkplaats. Het schip van de kerk ligt vol met steigerdelen waarvan de twee mannen er één naar buiten dragen. De deur gaat direct weer dicht en op slot. 

Terug aan ons tafeltje valt me de heilige Johannes op die boven de kerkdeur staat afgebeeld. Hij ziet er opvallend nieuw uit en steekt zijn rechter wijsvinger in de lucht. Wil hij iets zeggen? Wil hij even de aandacht? Wil hij ons waarschuwen? Of wijst hij ons op de hemel? In ieder geval brengt hij me op een idee. Ik steek dezelfde vinger in de lucht om de aandacht van de bediening te vragen en bestel nog twee cappuccino’s.

Wie in ieder geval de zegen van boven ontvangen, zijn twee katten in de straat links van ons. Vol verwachting kijken ze met strakke blik vanaf het plaveisel naar een raam op de derde verdieping. Zij weten wat er gaat komen. Wij nog niet. Dan is er beweging op de derde verdieping en een kantelraam klapt open. Beide katten nemen hun posities in en laten zich door niets of niemand meer afleiden. De focus is geheel gericht op de dame die haar hoofd door het kantelraam naar buiten steekt om te zien of de ontvangers van haar zegen op de afspraak zijn. Een scherpe miauw klinkt ter bevestiging. Geritsel klinkt. De katten draaien nog een keer om hun as zonder dat ze de vrouw uit het oog verliezen. Dan valt de beloning uit de hemel en storten de beide katten zich op het lekkers. Ik kijk met een schuin oog naar de heilige Johannes. Zijn vinger hoog de lucht in en zie ik iets van een knipoog?

Na de koffie laten we ons door andere katten diep het oude centrum van Šibenik in lokken.

We zien een dikke rode kat die uitdagend ligt te rollen. We lopen erheen en aaien ‘m. Dan, iets verder weer, een klein zwart-wit kattenkopje.

We roepen en fluiten lokkend maar deze kat geeft niet toe. Nog iets verder ligt een poes heerlijk te slapen in een plantenbak.

We gaan ernaartoe en maken een foto. En zo raken we steeds verder weg van bekend terrein en steeds dieper verdwaald in het doolhof van de stad.

Trapje op trapje af. Hoekje om, poortje door. We lopen net zo lang door totdat de oude kronkelige stad eindelijk genoeg van ons heeft en ons plotseling weer uitspuugt op bekend terrein. Precies op tijd om onze tassen te vullen met verse proviand. 

En daarmee zijn we klaar voor de volgende etappe langs de warme kust van Kroatië. Op weg naar Split.

Zoete herinneringen

We fietsen al twee dagen langs de zee zonder dat we ‘m kunnen horen. Wat misschien het geluid van de zee is, wordt overstemd door een plagerige wind die ons stevig bij de oren vastheeft. De koele wind komt vanaf het land de zee opwaaien en rimpelt het water. Korte golven met glinsterende schuimkopjes maken van de Adriatische Zee een sieraad voor het oog. Een troost bij het zware trappen.

Nu we Istrië achter ons hebben gelaten, maak ik in mijn gedachten (ook die reizen mee) de balans op. Het schiereiland heeft zijn anker in mijn verleden, de plaats waar alles een plekje krijgt, laten zinken. Ik zal me Istrië zolang ik leef herinneren aan zijn bodem. Gooi me over twintig jaar, verlost van mijn blinddoek, uit een auto en ik vertel het je als ik in Istrië op de grond rol. De kleur van de bodem heeft namelijk exact dezelfde kleur als het cacaopoeder van Van Houten.

Aan die cacaopoeder zitten weer andere herinneringen vast. Hiervan brengt de belangrijkste me terug naar de keukentafel aan de Drechterlandsedijk in Ursem. Daar aten mijn zus en ik honderden broodjes ’cacao met suiker’. Witte boterham met een dikke laag boter en daaroverheen de cacao uit het bekende doosje, gemengd met een theelepeltje suiker. Heerlijk! (En daarna even in de spiegel naar je tanden kijken). Lachen.

Zoete herinneringen.

Langs de hele kustlijn van Istrië, fietste de zon moeiteloos langs de hemel met ons mee. En ook tijdens onze rustdagen in Porečen Pula schoof het zonnetje aan op de diverse terrassen. En ook nu, nu we de bocht bij Opatija om zijn, weigert de zon iets voor zichzelf te gaan doen en blijft in ons kielzog. Je kunt een slechtere reisgenoot treffen.

We zijn, nu dus ook met de wind log en verveeld hangend aan onze bagagedragers (ook die wil per se mee), tot in Senj gefietst. Een klein dorpje dat tegen de heuvel staat opgestapeld zodat ieder huis een uitzicht biedt over de zee. Iets uit de kust liggen twee dorre eilanden louter om het uitzicht van een verfraaiend perspectief te voorzien. 

Uitzicht vanaf ons ‘Apartman’.

Het is hier geen dorp van vissers, wat je zou verwachten. Alleen de meeuwen kwijten zich aan die taak. Nergens zie je een dobberende boot waarin ze druk zijn met het uitzetten of binnenhalen van visnetten. Nee, de mensen hier verhuren ‘Apartmani’ of ‘Apartman’ als ze er één aanbieden. Appartementen. Dat doen ze allemaal, waardoor ze worden aangeboden voor betrekkelijk lage prijzen. Het appartement dat we momenteel bewonen meet 65 vierkante meter en is van werkelijk alle gemakken voorzien (zelfs een wasmachine). We huren het voor 25 euro per dag, dezelfde prijs die we in Duitsland betaalden om onze tent een nacht op een camping te mogen zetten.

Senj blijkt dus toch bij uitstek een vissersdorp. Met de toerist als vangst. Maar die vis wordt door de moordende concurrentie wel duurbetaald.

Vanmorgen daalde ik af naar de supermarkt, een enorme, en vrij nieuwe, vierkante doos die middenin het schots en scheve oude dorp is neergekwakt. Gek genoeg staat die supermarkt op 100 meter afstand van zo’n zelfde enorme nieuwe doos. Ook een supermarkt. Dit fenomeen zien we in veel plaatsen die we passeren. Opvallend is dat al deze supermarkten zo nieuw zijn. Alsof het land zich een jaar of 2 à 3 geleden voor het eerst heeft opengesteld voor de Aldi’s, de Lidl’s, de Sparren en de Plodines, die op hun beurt als een malle zijn gaan bouwen waardoor ik nu in het koffiehoekje van de Plodine in de treurige ogen kijk van misschien wel de voormalige eigenaar van een kleine buurtsuper. Het is kwart over acht in de ochtend. Hij zit aan het bier, en ik schrijf dit verhaal.

Met Pula is iets geks aan de hand

Toen we gisteren na een lange, warme en uitputtende rit Pula binnenreden, zag ik in mijn linkerooghoek het enorme amfitheater, in mijn rechter de haven. Wetende dat we nog twee dagen in Pula zouden doorbrengen, hielden we koers naar ons tijdelijke verblijf buiten het centrum van de stad. Bovendien staat het amfitheater er al ruim 2000 jaar dus kunnen we erop gokken dat het er morgen ook nog staat. 

Amfitheater Pula

En dat bleek inderdaad het geval. Weliswaar stonden er hier en daar steigers tegen het immense theater waarvan ik niet weet of die er de dag ervoor, in het voorbijgaan, ook al stonden. Ook waren er links en rechts wat stutbalken geplaatst dus wie weet heeft het er nog om gespannen. We waren in ieder geval op tijd voor een foto of twee, drie.

Ik fiets in Pula sinds lange tijd weer zonder fietstassen, en dat is wennen. Het lijkt wel alsof mijn fiets zich bevrijd voelt van zijn zware last en daarbij een vrolijke nieuwsgierigheid aan de dag is gaan leggen. Hij beweegt zijn stuur opvallend losjes, en naar het lijkt willekeurig, van links naar rechts. Alsof ie mij als bestuurder niet langer dient en zijn ogen eens even flink de kost wil geven in deze oude stad. Als een dartel veulen.

Ik weet niet of het mijn fiets is opgevallen, maar er is iets geks aan de hand met Pula. Toen ik Nicole erop wees vond ze het ook gek maar dacht dat de meeste mensen nooit zouden merken dat het aan de hand was. Het viel mij op toen we op het rustige Dante-plein tegenover een basisschool, in het zonnetje, aan een cappuccino zaten. Links van de school staat een katholieke kerk en rechts ervan een restaurant met de naam Alighieri. Dante’s La Divina Comedia op de drempel van een basisschool. Alsof de kinderen een levenskeuze voorgehouden wordt; sla je linksaf (inferno) of sla je rechtsaf (paradiso)? Maar dit terzijde.

Het Dante plein. Links van de fontein de school. Rechts restaurant Alighieri.

Nee, het gekke met Pula is iets heel anders. Het is onzichtbaar, zelfs voor het scherpste oog. 

Je kunt het alleen horen. Als je luistert.

Wat je hoort is namelijk heel iets anders dan wat je ziet. Wat je ziet zijn kinderen die tijdens een korte pauze een broodje eten of een sigaret roken, een man die al heel vroeg aan z’n eerste biertje van de dag zit. Meeuwen bij de fontein en hier en daar een verdwaalde duif met één gezond pootje en één stompje. Maar wat je hóórt zijn kaketoes, ara’s en nog zowat van dat exotische pluimage. Ik hoefde mijn ogen maar te sluiten en ik waande me weer bij ons kleine huisje aan Playa Chiquita in Costa Rica! 

Dit klopte van geen kant en na even speuren merkte ik de kleine luidspreker op waaruit de fraaie dierengeluiden klonken. Nadat ik Nicole op dit vreemde fenomeen had gewezen was voor mij de kous af. Ik ging ervan uit dat een grensverleggende horecaondernemer aan het plein verantwoordelijk was voor dit sfeerverhogende initiatief dat ongetwijfeld zou leiden tot een verhoogde mate van consumeren.

Niets was minder waar!

Toen we even later, met onze fietsen aan de hand, de verkenning van Pula’s binnenstad voortzetten, vlogen de uitheemse vogels ons opnieuw om de kop. De kleine luidsprekertjes waren snel gevonden. Daar ging mijn theorie van de grensverleggende horecaondernemer aan het plein!

Een dartel veulentje bij een stadspoort van Pula

Dan blijven er wat mij betreft nog twee opties over. Namelijk: het is kunst, of het is een poging van het stadsbestuur om ‘een stukje natuurbeleving’ de stad in te brengen. Dat laatste lijkt me helemaal van deze tijd en met twee dartele veulentjes aan de hand dragen we er maar wat graag ons steentje aan bij!

Translate »