• info@pedalenenverhalen.nl

– Het Loempia-Avontuur

Hoe is het profiel vandaag?

Vanmorgen werd ik om half zeven wakker. Toen Nicole dat in de gaten had, was het eerste wat ze zei: “Hoe is het profiel vandaag?”

Ik rol me vervolgens uit het dunne laken, dat ik de hele nacht afwisselend omarmd en van me afgegooid heb, om mijn volledig opgeladen telefoon te pakken. Ik open de app OsmAnd en maak een route die ons dichter bij Tblisi brengt. Onder de route verschijnt een grafiek met hoogtemeters die ik Nicole voorhoud. Ze knijpt even met haar ogen en ziet het profiel van de etappe waar we over een uur aan beginnen. Er zit een behoorlijke klim in die maakt dat Nicole nog even diep in het laken kruipt. Ik schuif dicht tegen haar aan en samen stellen we het moment van opstaan, douchen, spullen bij elkaar rapen, inpakken en uitchecken nog even uit.

We kunnen niet te lang blijven liggen want we hebben met Ian afgesproken dat we om half acht vertrekken. Ian komt uit het Lake District in het noorden van Engeland en moet dezelfde kant op als wij. We trekken al een paar dagen met zijn drieën op en beleven daar ontzettend veel plezier aan.

Een klein uur later halen we onze fietsen, die veilig opgeborgen staan in een oud winkelpand waarvan alleen wij de sleutel hebben, tevoorschijn en maken ze zwaar door ze vol te hangen met onze bagage. Bij de bakker om de hoek halen we vier broden voor onderweg en even verderop kopen we nog vier en een halve kilo water.

In de straat staan middelgrote vrachtwagens die zijn beladen met zakken stro die qua volume beter zouden passen op een grote vrachtwagen. Degene die de lading heeft opgestapeld en gezekerd moet een ware tovenaar zijn. Honderd touwen en duizend knopen houden de boel bij elkaar.

Ian duwt de kar

In de middenberm van de dorpsstraat liggen de honden zonder baasjes te dromen over luilekkerland.

Zowel Nicole als Ian hebben de laatste dagen een onrustige maag omdat ze iets verkeerd gegeten hadden. Vandaag zal blijken of ze weer fit genoeg zijn om een pittige etappe te fietsen want de klim die na 45 kilometer op het programma staat, is 12 kilometer lang met een gemiddeld stijgingspercentage van 5%. Bovendien staat er een flinke tegenwind; iets waar ze beiden een hekel aan hebben. Zelf heb ik minder moeite met tegenwind omdat ik blij ben met de verkoeling die het met zich meebrengt. Ook zijn mijn knieën de laatste weken vrij goed waardoor ik het gevoel heb alles prima aan te kunnen.

Als we het dorp iets voor acht uur uitrijden horen we ook de volgepakte vrachtwagens tot leven komen. Ook zij zullen zich een lange trage weg over de hoge bergen moeten sleuren.

Nicole besluit al vroeg voor de aanval te kiezen. Ze gaat het eerste halfuur vooropfietsen en bepaalt het tempo dat een combinatie is van tegenwind en licht afdalen. Het resultaat is een aangename snelheid van ongeveer 20 kilometer per uur. De inspanning laat voldoende ruimte om te kletsen. De voertaal is Engels en produceert verhalen en anekdotes die enkele uren laten verdampen.

Want dan begint de klim.

Ian trekt de kar

Het tempo neemt onmiddellijk af en blijft steken op een kilometer of 7 à 8 per uur. De verhalen zijn verteld waardoor we de komende 12 kilometer naar de top met onszelf in gesprek moeten gaan. Dat valt niet mee dus na een uur grijpen we alle drie naar onze iPods. Muziek en podcasts duwen ons vanaf dat moment de bergen op. Naast ons hijgen ook de vrachtwagens met hun zware lasten zich een weg naar boven. De in mijn ogen véél te warme tegenwind blaast onze kelen kurkdroog waardoor we teugen zuurstof inwisselen voor slokken opgewarmd water.

Na een paar kilometer klimmen komen we op een plek waar we vers en koel water kunnen tappen. Er is ook een man die thee verkoopt en we grijpen de gelegenheid met beide handen aan om even op adem te komen. We bestellen thee en eten de koekjes die we in onze stuurtassen meebrengen. Ná ons stoppen er meer mensen voor een kopje thee. We krijgen vruchten aangeboden van een vader die met zijn gezin onderweg is. Ook schenkt hij ons een tweede kopje thee. Als er even later een paar stoffige truckers aanschuiven, krijgen we van een van hen een plastic bak met zelfgemaakte koekjes voorgehouden. Ook daar eten we gretig van. Er is alom bewondering voor het feit dat we de bergen met de fiets trotseren. Als we een kwartier later vertrekken en willen afrekenen, wil de man van de thee geen geld van ons aannemen. Hij geeft ons een hand en drukt ons op het hart dat als we terugfietsen, we weer bij hem thee moeten komen drinken. We knikken allemaal instemmend.

We zwaaien naar de truckers en de theeman en kruipen verder de berg op.

Ik luister tijdens het klimmen naar de ‘Stuff You Should Know’ podcast en leer al doende over de geschiedenis van ‘subways’ in Londen, Parijs en New York. Een volgende aflevering leert me weer van alles over het trainen van blindengeleidehonden om bij een derde aflevering kennis te nemen van de internationale hulporganisatie ‘Meals on Wheels’. Allemaal onderwerpen die hier en nu klinken als een soort ‘Ver van mijn bed show’, maar het helpt me mijn gedachten bij het eindeloze klimmen af te houden.

Als we bijna boven zijn komen we opnieuw langs een plek waar we water en thee kunnen krijgen. Dit was hard nodig want ik had enkele kilometers eerder mijn laatste bidon met water gedeeld met Ian en Nicole. We nemen dit keer een hele pot thee en de tijd om ervan te genieten.

Ondertussen trekken er grijze wolken over de berg en horen we in de verte onweer naderen.

Onder het genot van de pot thee besluiten we wat van de route af te wijken om in een nabijgelegen ski resort op zoek te gaan naar een hotel voor de komende nacht. Dit betekent dat we nog een kilometer of 16 te fietsen hebben waarbij het gelukkig gedaan is met het klimwerk.

In het ski resort vinden we een hotel. Ik schrijf er nu dit verhaal voor jullie, en moet eraan toevoegen dat het niet meeviel om hier een betaalbaar en schoon hotel te vinden, én dat we een ijskoude bui op onze kop kregen voordat we het ski resort bereikte.

Het is nu tien over elf. Nicole en ik liggen in een kamer met drie eenpersoonsbedden. Links van me een bed vol met tassen, kleding en spullen van ons beiden. Rechts van me ligt Nicole. Ze ligt lief te slapen. Af en toe snurkt ze een beetje.

Ik klap de laptop dicht, knip het licht uit en ga ook lekker liggen. Ik denk aan mijn vader en aan mijn schoonvader want morgen is het vaderdag. Wat zou het fijn zijn als we ze morgen even konden bezoeken om gezellig een kopje koffie te drinken!

Even later klopt de slaap ook bij mij op de deur. Mijn laatste gedachte? “Hoe zal het profiel voor morgen eruitzien?”

Theo en Osman, twee vloerkleden verkopers

Sinds kort ken ik twee verkopers van vloerkleden. Een Nederlander en een Turk. Beide zijn ze dol op hun vak. De een omdat hij houdt van vloerkleden en de ander omdat hij houdt van verkopen. 

De Nederlander, hij heet Theo en verkoopt zijn kleden in Zevenaar, praat graag over het verkopen van vloerkleden en kent zijn vak dermate goed dat hij durft te beweren dat hij bij de eerste aanblik van een klant al vrij zeker weet welke kant het op gaat als er uiteindelijk een klap op de zaak moet worden gegeven. Hij voelt haarfijn aan wanneer het alleen bij kletsen blijft (‘praatje pot’, noemt hij dat) en wanneer het op ‘tapijten trekken’ aankomt. ‘Tapijten trekken’ is jargon en betekent zoveel als de mouwen opstropen en zweten. Het ene na het andere kleed wordt van een enorme stapel getrokken totdat het juiste is ‘herkend’. Want dát is wat het verkopen van tapijten volgens Theo behelst. Als de klant een vloerkleed ‘herkent’, dan heb je als verkoper beet. Hij heeft daarom een speciale antenne voor zinnetjes die beginnen met de woorden: “Die doet me denken aan…”, of “Dat patroon lijkt wel op…” of “Lijkt dat niet op die kleur van…”.  Een handvol woorden die, voor de ras verkoper die Theo is, wijzen op een succesvolle deal. Vangt hij zo’n zinnetje op, dan weet Theo dat hij het kleed even apart moet houden want de kans is groot dat ze uiteindelijk met dát kleed de deur uit lopen. En Theo is bovendien geen dief van z’n eigen portemonnee dus vangt zijn antenne een zin van herkenning op, dan stijgt direct de prijs van het betreffende vloerkleed.

Theo noemt zichzelf op feestjes en partijen daarom geen ‘erkend vloerkleden specialist’, wat op de etalageruit van de winkel staat gestickerd, maar een ‘herkend vloerkleden specialist’, waarna hij eenieder die het wil horen vertelt over de kracht van het ‘herkennen’ in de verkoop branche. ‘Herkenning verkoopt’, een gouden regel die hij ooit heeft geleerd bij de HEMA, waar hij lang de functie van filiaalmanager bekleedde. Overigens heeft Theo niets met vloerkleden, het gaat ‘m om het verkopen.

De Turk, hij heet Osman en verkoopt zijn kleden in Konya, kent geen gulden regels en heeft geen verkooptrainingen gehad op een hoofdkantoor. Osman laat het verkopen van vloerkleden over aan de vloerkleden zelf. ‘Tapijten trekken’ doet ie niet want hij zorgt ervoor dat zijn voorraad niet groter is dan de hoeveelheid tapijten die hij aan zijn gevel kan ophangen. Dat zijn er een stuk of tien, vijftien. Verder doet hij niets dan op een stoel bij de vloerkleden zitten. De hele dag wachten op een geïnteresseerde passant. Hij leest een krant, drinkt een kopje thee en speelt wat met zijn mobiele telefoon, verder doet hij helemaal niets.

Osman aan zijn dagelijkse arbeid

Ik weet dit omdat ik Osman een groot deel van de dag vanuit mijn hotelkamerraam heb zitten observeren. Zo nu en dan nam ik een foto van Osman en zijn winkel die door het wisselende zonlicht een prachtig aanzien had.

Toen ik Osman een dag later aansprak en weer iets later vertelde over Theo, de succesvolle vloerkleden verkoper uit Zevenaar, nam hij nauwelijks de moeite om van zijn krant op te kijken. ‘Die man verkoopt vast geen kelim vloerkleden zoals ik’, was zijn reactie. ‘Jazeker wel!’, zei ik, ‘en hij verkoopt er elke dag wel een paar.’ Toen had ik z’n aandacht want zelf verkocht hij er hooguit enkelen per maand. ‘Hoe doet hij dat dan?’, wilde Osman weten. ‘Nou’, zei ik, ‘jij zit naast je vloerkleden te wachten totdat een kleed zichzelf verkoopt. Wat deze man uit Zevenaar doet is zijn vloerkleden laten spreken met de klanten door de mensen het kleed voor te houden en ze iets over het kleed te laten zeggen. Het vloerkleed en de klant gaan als het ware in gesprek met elkaar en daardoor krijgen ze een band. Theo luistert heel goed naar dat gesprek tussen de klant en het vloerkleed en dan kan hij horen welk kleed het beste bij de klant past. En die kopen ze dan ook vaak.’

Osman is even stil en denkt na. 

‘Maar de kleden kunnen toch niet praten?’, besluit Osman na enige tijd. ‘Nee, niet écht, vervolg ik, maar Theo voert het woord namens de kleden en dan moeten de mensen wel iets terugzeggen, en dán moet je dus goed luisteren of er een klik is tussen het kleed en de klant. Misschien passen ze bij elkaar vanwege het patroon, misschien vanwege de kleur of zijn ze beiden zacht of ruw of buigzaam, weet ik veel! Je moet naar overeenkomsten zoeken Osman! Herken je het kleed in de klant, of andersom, dan is de kans groter dat ze ‘m willen kopen.’

Weer was het stil. En het bleef stil.

Ik heb Osman niet meer gesproken maar de dag voordat we uit Konya vertrokken zag ik dat hij twee kleden over het trottoir had uitgerold en iedereen die over of langs het kleed liep sprak hij voorzichtig aan terwijl hij naar de kleden wees. 

Osman legt twee ‘lokkleden’ op de stoep

Vlak voordat we uit ons hotel vertrokken maakte ik de laatste foto van Osman en zijn vloerkledenwinkel. Zijn kleden lagen opnieuw voor de winkel op straat en hij was druk in de weer met drie klanten.

Osman druk in onderhandeling over de kleden die hij als ‘sprekend’ voorbeeld op het trottoir legde

Theo zal trots zijn op Osman maar nog liever zou hij een dagje uittrekken om ‘m alle kneepjes van het verkoopvak bij te brengen. Osman zal in ieder geval een goede leerling zijn.

Dit verhaal is geschreven voor Theo en Ine als dank voor hun duwtje in de rug. Wil je ook figureren in een verhaal, zie dan onze pagina DUWTJE IN DE RUG

Na 5000 kilometer

Vandaag zijn we door de 5000 kilometergrens gefietst. Dat viel niet mee want het kwik van de thermometer verdampte waar je bij stond. De weg kookte. Letterlijk. Glimmende druppels teer borrelden uit het wegdek omhoog. Als we over de druppels heen reden maakten ze het geluid van klappertjespistolen. Na verloop van tijd werden de druppels plassen en kleefden onze fietsbanden hinderlijk aan het wegdek. Met het teer aan de banden vingen we langs de kant van de weg steentjes zoals een vliegenstrip vliegen vangt. Ondertussen bleven we maar lurken aan onze bidons. Het water was veel te warm om te verkoelen maar het was het enige dat we om handen hadden op de lange heuvelachtige wegen. Schaduw was er alleen onder het klepje van mijn pet. Ik kroop er met heel mijn lijf onder.

Dieren lieten het wijselijk afweten vandaag. Vogels waren op een hand te tellen. De stokstaartachtige beestjes die ons gisteren de hele dag vermaakten door in de berm steeds in blinde paniek met ons mee te rennen, over de kop te slaan en te piepen als muizen in het nauw, om vervolgens in hun holletjes weg te duiken, staken vandaag hun kop nergens boven de grond. Werden we gisteren verrast door een veld met enkele honderden ooievaars, vandaag was er geen enkele kans op zo’n fantastisch schouwspel. Hoogstens in een fata morgana want luchtspiegelingen vulden de horizon van ’s morgens vroeg tot laat in de middag.

Zomaar een stukje waar we 82 mochten

Een paar vliegen en een enkel vlindertje heb ik gezien. Én een verdwaalde schildpad die zonder onze hulp de overkant van de weg nooit zou halen. Alleen voor de schildpad was het fijn dat we hadden besloten de ruim 70 kilometer van Aksaray naar Nevsehir te fietsen.

Nu ik niet werd afgeleid door pijlsnelle stokstaartjes of trage ooievaars, kon ik me eens concentreren op geuren. Onvoorstelbaar wat er allemaal te ruiken valt als je van Rijnsaterwoude naar Bali fietst. 

Het ergste ruikt de dood. Er gaat geen dag op de fiets voorbij dat we de dood niet ruiken. De geur van de dood rijkt ver dus hij komt snel en blijft lang hangen. Ik doe mijn best om iedere keer als er een dode hond (of een ander kadaver) langs de kant van de weg ligt mijn adem in te houden. Ik rook de dood liever niet over mijn longen, ik weet niet waarom. Ja, dat weet ik wel, omdat het stinkt! Maar misschien ook om welk rottingsproces dan ook buiten de deur te houden. 

Er zijn ook fijne geuren. Naaldbomen, vers gemaaid gras, hooi, stro, de waterige geur van de nevel die sprinklers op de akkers verspreiden (vooral vandaag was die heerlijk). De geur als je ’s morgens hongerig een bakkerij die vers brood bakt binnenloopt. Versgemalen koffiebonen als je trek hebt in een bakkie.

Het landschap is prachtig

Vervelend zijn de uitlaatgassen. Na 5000 km fietsen heb je zoveel dieselpluimen gezien, geroken en geïnhaleerd, dat je serieus gaat twijfelen of het wel gezond is om van Rijnsaterwoude naar Bali te fietsen. Je hebt het idee gezond bezig te zijn maar het fijnstof die je binnenkrijgt kan wel eens gigantisch zijn. Op de Balkan komt daar het roken ook nog eens bij. Daar is nog geen ontmoedigingsbeleid en wordt er overal gerookt. Cafés en restaurants staan daar blauw van de rook. Iets wat je je in Nederland gelukkig niet meer voor kunt stellen.

De laatste dagen bereikt me echter een geur die ik letterlijk en figuurlijk niet thuis kan brengen. Het is een geur die nieuw voor me is. De geur is buitengewoon sterk en ruiken we soms honderden meters lang. Ik kan de geur niet beschrijven want ik kan ‘m nergens mee vergelijken. Zo nagelnieuw is die geur voor me. Ik heb het vermoeden dat het een boom is die de geur verspreid maar zeker ben ik er nog niet van. 

Ben je nieuwsgierig geworden naar die geur? Je vindt ‘m op zeker op de D300 van Aksaray naar Nevsehir. Het is een ritje van zo’n 70 kilometer maar pas op! Het kan er bloedheet zijn.

Raki-Cola Bier

We reden rond de klok van 13:00 uur door een stoffig laantje in Pamukkale, op weg naar hotel Dört Mevsim. Het eerste, en goedkoopste hotel van het toeristische dorp met de kalkterrassen hadden we zojuist resoluut afgewezen. De prijs aan de receptie bleek hoger dan op internet werd aangegeven en toen ik daar iets van zei, tegen de kloeke receptioniste, legde ze uit dat ze me zojuist de ‘comfort room’ had laten zien. Dat was een kamer uit een andere prijsklasse. Ze had ook goedkopere kamers, vertelde ze. Toen ik daarvoor interesse toonde, kon ik de comfort room voor minder geld krijgen. De goedkopere kamers van het hotel bleven voor mij verborgen. Haar volwassen zoon zat tijdens ons kortstondige zakelijke treffen apestoned op de bank en keek voor zich uit alsof hij door een holle pijp het licht zocht. Als hij nuchter was geweest had hij ons kunnen zien vertrekken.

Onderaan het uithangbord van hotel Dört Mevsim stond tot ons genoegen ook het woord ‘champing’. ‘Ha’, dacht ik met een uitroepteken, een camping voor kampioenen. We hadden misschien een mogelijkheid om te kiezen. Een hotelkamer of een stukje campinggras. 

We parkeerden onze ijzeren pakezels op het fijne grint van de parkeerplaats van het hotel. Nicole wachtte bij de fietsen en ik liep langs het wenkende zwembad richting de receptie. Daar vandaan liep de eigenaar me tegemoet en ruim voordat ik ‘m de hand kon schudden bereikte me al een ander soort kennismaking. De kennismaking met een groot drankprobleem, vormgegeven door een gigantische kegel. Zijn dubbele voornaam, zo bleek al snel, werd Raki-Cola. Zijn achternaam doopten we later om tot Bier.

Op de bank vóór de receptie zat de dochter van Raki-Cola met haar vriend. Ze rommelden beiden wat op hun mobiele telefoons tot het moment dat de dochter werd gevraagd ons een kamer te laten zien. We liepen met haar mee (de fietsen stonden veilig dus Nicole kwam mee) en kregen een keurige kamer te zien. Raki-Cola liet ons daarna in hoogst eigen persoon de camping zien. Dit bleek de reeds bekende parkeerplaats met het fijne grint te zijn. Er stond een busje en een auto. Ook hing het wasgoed er te drogen maar wij konden er een plekje naar believen uitzoeken. Een klein strookje gras zag er voldoende uitnodigend uit. We besloten te gaan kamperen.

ons ‘champingplekje’

Nadat we onszelf hadden geïnstalleerd en omgekleed tot twee zwemlieden, namen we een duik in het hotelzwembad. We maakten de allereerste zwembewegingen van onze reis en genoten zichtbaar van het verkoelende water. Toen we ons even later op twee ligbedden hadden genesteld, kon het grote kijken beginnen.

Met de ligbedden in de schaduw

Al snel viel onze aandacht op Raki-Cola. Ik vertelde Nicole over zijn verreikende kegel en het werd ons snel duidelijk dat die kegel goed werd onderhouden.

Recht tegenover onze ligbedden, aan de andere kant van het zwembad, stonden twee koelkasten met glazen deuren. De ene koelkast was verstrekt door Pepsi, het stond er met grote letters op, de andere door de leverancier van flessenwater. Het loopje van Raki-Cola ging steevast naar de Pepsi koelkast.

De Pepsi koelkast. Daar waar de Raki-Cola wordt vervaardigd

In de Pepsi koelkast stonden naast bier, sinas, cola en ice tea ook twee anderhalf liter flessen water. Gek genoeg stonden deze niet in de speciaal daarvoor geleverde koelkast. Al snel werd duidelijk waarom. De waterflessen waren gevuld met raki (vuurwater). Met zeer grote regelmaat liep Raki-Cola naar de Pepsi koelkast en vulde zijn glas voor de helft met raki en voor de andere helft met Pepsi cola. Hij deed dit een beetje heimelijk maar omdat zijn dorst groter was dan zijn drang tot geheimhouding, viel het toch al snel in het oog. Hij bleef maar naar de koelkast lopen. Ondertussen functioneerde hij als hoteleigenaar en speelde, onder het genot van een halve liter bier, een spelletje Back Gammon met de kok. 

Het is inmiddels een uur of drie, half vier. Raki-Cola wisselt zijn gang naar de Pepsi koelkast nu in dezelfde frequentie af met een gang naar de wc want van bier moet je zeiken. Hij en de kok hebben er minstens vier spelletjes Back Gammon op zitten. Onderweg naar het toilet maakt Raki-Cola een lastig te controleren zijstap. Ook zie ik hem half in zijn gezicht wrijven terwijl hij eigenlijk over heel zijn gezicht wilde wrijven. Tenslotte steekt hij een keer zonder zichtbare reden zijn vinger op voordat hij de deurknop van het toilet vastpakt, alsof hij zich iets belangrijks bedenkt. Zijn bewegingen zijn allemaal net een beetje uit het lood.

Wij zitten met de benen gestrekt op onze ligstoelen en houden Raki-Cola in de gaten over de rand van onze e-readers als we hem plotseling van koers zien veranderen. Hij loopt ineens voorbij de Pepsi koelkast! Opletten!!

Vlakbij de uitgang van het hotel staat een elektrische driewieler, een soort scootmobiel met een boodschappenmandje achterop. Raki-Cola is er naartoe onderweg. In gedachte ben ik blij met het gegeven dat het hier gaat om een driewieler want met zoveel drank in het lijf is een stabiel voertuig van levensbelang. Raki-Cola stapt op en vertrekt in volle vaart vooruit, stopt vervolgens, zet de scootmobiel in zijn achteruit en grijpt achter zich naar een lange stok met een netje aan het uiteinde. Het is zo’n ding om vuiltjes mee uit het zwembad te schepnetten.

de scootmobiel, een stabiele factor in het hotelbedrijf

Met het schepnet in de linkerhand, als een lans, draait hij het gas weer open en snelt het hotelpad af, en met een ruime bocht vliegt hij de straat op en verdwijnt, gevolgd door een klein stofwolkje, uit het zicht. 

Ik zie een Turkse Don Quichot en vraag me af of Raki-Cola windmolens ziet.

Na tien minuten verschijnt de scootmobiel weer terug op het terras van het hotel. Raki-Cola zit nog steeds in het zadel maar niet stevig. De meterslange lans van Don Quichot is nergens meer te bekennen maar zijn oorlogsbuit bedraagt twee broden. Ze liggen in het boodschappenmandje van de scootmobiel. Zo kan Raki-Cola, naast zijn dorst, nu ook zijn honger stillen.

Gerustgesteld met de veilige terugkeer van de hoteleigenaar stappen we zelf op. We gaan het dorp in en stillen ook onze honger. Nicole eet gevulde aubergine, ik neem levertjes met rijst en besluit het wat drank betreft bij twee biertjes te houden.

P. S.

Heterdaadje
Translate »