• info@pedalenenverhalen.nl

– Het Loempia-Avontuur

Bevallen in de woestijn

Nadat we twee dagen zijn ondergedoken in een hotel met airco in Nukus, vertrekken we vol goede moed richting Khiva. Ook nu belooft het weer een warme dag te worden, dus we vertrekken vroeg. We fietsen in het donker door de woestijn en zien rond 5:45 uur de zon opkomen. We weten dat er na 72 km een hotel komt maar hebben gehoord dat het er vies is. Wildkamperen of 120 km fietsen naar een ander hotel heeft onze voorkeur. 

Bij 45 graden snakken we, het is al middag, naar een douche. Op maps.me hebben we een hotel gezien, maar als we er naartoe fietsen loopt de weg plotseling dood. Op een paar huizen na staat er niets wat in de verste weg op een hotel lijkt. Een dame probeert ons samen met haar dochter en kleindochter te helpen. Er blijkt daar helemaal geen hotel te zijn. Zij spreken geen Engels en wij geen Russisch, maar we komen er aardig uit. Er is wel een ander hotel, maar ze kunnen niet op de kaart aanwijzen waar het precies is. De dame stelt vriendelijk voor om bij haar te blijven eten en slapen. In Oezbekistan en omliggende landen kun je te maken hebben met het fenomeen ‘tarof’. Mensen bieden je dan uit beleefdheid iets aan, maar je weet nooit zeker of ze het menen of niet. Je kunt het volgens de regels van ‘tarof’ dus het beste afslaan. Het aanbieden en afslaan kan wel 3 minuten duren, voordat je zeker weet of het aanbod gedaan wordt uit beleefdheid of niet. Mensen hebben hier niet veel, dus je wilt ook geen misbruik maken van een aanbod dat uit ‘tarof’-beleefdheid wordt gedaan. 

We zeggen dat we naar een hotel willen en slaan dus het aanbod af. Dit wordt direct geaccepteerd. Er wordt een vriendin gebeld die Engels spreekt en Dennis uitlegt hoe we naar het hotel moeten fietsen. Dennis kan echter zijn aandacht er slecht bij houden. Hij voelt zich niet zo lekker door de warmte. Ondertussen krijg ik van de dame eten mee. Het zijn vijgen en iets wat op twee grote halve koeken lijkt. Dat sla ik niet af en stop het in mijn tas. Later, als we het hotel gevonden hebben, check ik wat we hebben gekregen. Het blijken twee halve broden te zijn, maar deze zijn zó hard dat we onze tanden zouden breken als we er een hap van namen. 

De volgende dag hoeven we niet ver meer maar de weg is slecht naar Khiva. Het is best vermoeiend om door gravel te fietsen en steeds de gaten in de weg te moeten ontwijken. We zijn opnieuw vroeg vertrokken, dus komen al rond 11:00 uur aan in een hostel in Khiva. Daar treffen we de Fransman Jeremy en Duitser Felix. Beide fietsers hebben we eerder in de haven van Alat ontmoet. Jeremy had een boot eerder dan wij en heeft een stuk door de woestijn van Kazachstan gefietst. Felix zat wel bij ons op de boot en met hem zijn we vanaf de haven in Kazachstan naar Aktau gefietst. Onderweg naar Aktau ontdekte we dat zijn buitenband aan het scheuren was; iets waar geen enkele fietser blij van wordt. Bovendien heeft Felix een heel afwijkende bandenmaat (fat bike) die hier niet te krijgen is. Felix heeft spijt van zijn fietskeuze. Waar wij vanaf Aktau de trein naar Nukus hebben genomen, blijkt hij vanaf Aktau toch nog een moedige poging gedaan te hebben om te fietsen. Hij is uiteindelijk al liftend en met de trein in Khiva aangekomen. En gaat ’s middags weer verder met een taxi. Fietsen zit er niet in totdat hij een nieuwe buitenband heeft gevonden. Voor de zekerheid heeft hij er ook een vanuit Duitsland besteld. Hij laat deze naar Dushanbe verzenden en hoopt dat dit niet weken gaat duren.

Wij genieten twee dagen van Khiva. Een plaats midden in de woestijn die ooit een belangrijke plaats was aan de zijderoute. Er werd op grote schaal slaven verhandeld. Khiva groeide uit tot een machtige stad met moskeeën, Koranscholen en paleizen. 

Vanaf Khiva is het 480 km door de woestijn naar Bukhara. We weten dat er weinig voorzieningen zijn onderweg, dus we zorgen voor voldoende water en eten. Ongeveer om de 70 km kunnen we water bijvullen. Ook nu starten we om 5:00 uur in de hoop dat we op het heetst van de dag kunnen schuilen in een van de theehuizen op de route. 

Na 110 km fietsen, rond 12:00 uur, zien we een motel met een restaurant. Voor een prima prijs kunnen we er overnachten. Als Dennis onder de douche wil stappen komt er geen druppel water uit de kraan. Ik leg het probleem voor aan de eigenaar en hij loopt met me mee naar de kamer. Het gesprek gaat met handen en voeten. Hij vraagt me of we kinderen hebben. Ik antwoord zoals altijd ontkennend. Dan vraagt hij of Dennis en ik apart slapen. Wat moet ik hier nu op antwoorden? Dan zegt hij tot 3 keer toe dat ik een mooi figuur heb en dat hij 3 kinderen heeft.  Hij wil wel wodka met me gaan drinken. Ik zet de gang erin, zodat we zo snel mogelijk bij de kamer zijn. 

(We krijgen dagelijks de vraag of we kinderen hebben. De reactie als we zeggen dat we geen kinderen hebben is zoiets als: Er moet wel iets mis zijn met Dennis, want als vrouw wil je toch kinderen? Lastig uit te leggen. We spreken af dat we vanaf nu zeggen dat we 2 kinderen hebben, Britt en Lois. In werkelijkheid zijn dat onze nichtjes, maar dat weten zij natuurlijk niet.)

Onze mooie dochters.. ehhhh nichtjes

Het is zo warm in de slaapkamer dat we besluiten de matrassen naar de woonkamer te slepen waar de niet goed werkende airconditioning hangt. Hij koelt nauwelijks, maar hij verplaatst in ieder geval nog wat lucht. Als ik de volgende morgen Dennis hoor slepen met de matrassen en wil helpen, stoot ik keihard mijn tenen aan de drempel van de badkamer. Huilend rol ik op de bank van de pijn en misselijkheid. Ik heb het gevoel dat ik moet spugen. Erop staan lukt niet, maar fietsen gaat wel. 

Om 5:00 uur stappen we op de fiets de woestijn weer in. Ondanks dat het de enige weg is naar Bukhara, is er weinig verkeer. Links en rechts zien we alleen maar zand. Als de zon opkomt wordt het heel snel warm. 

Op de vluchtstrook staat naast een auto een grote familie. Komt dat allemaal uit één auto? Het zoontje geeft ons een high-five in het voorbijgaan. Even later passeert het gezin ons met de auto en houdt het jongetje wat uit het raam. Het lijkt alsof hij een kaartje in zijn hand heeft. De bestuurder stopt en wij ook. Het jongetje blijkt een bankbiljet in zijn hand te hebben en wil die aan ons geven maar dat willen we niet aannemen. De familie gebaart echter dat we het wel moeten doen. We hebben geen keus. Ik voel me opgelaten, maar pak het biljet dankbaar aan. Ik tel 8 hoofden in de auto, 3 volwassen en 5 kinderen. Nadat we een foto hebben gemaakt rijden ze verder. Ik kijk in mijn hand. We hebben 1000 som (10 eurocent) gekregen. Een groot gebaar van zo’n klein ventje!

We hebben tegenwind en die geeft geen enkele verkoeling. Meestal fietst Dennis voorop, maar vandaag is mijn tempo hoger. Het lukt me niet om hem in mijn wiel te houden. Ik fiets steeds een stukje bij hem vandaan. Als ik vraag of het gaat antwoord hij dat hij de woestijn geestdodend vindt en dat hij de energie niet heeft om harder te gaan. Ik heb er op dat moment geen last van. Ik vraag hem of hij wil liften. “Als er iemand een lift aanbiedt, zeg ik geen nee”, zegt hij. Ik weet genoeg. Ik ken het gevoel van er doorheen te zitten. Alleen kwam er dan altijd wel een schaduwplek om even te rusten of wat te drinken of eten. Hier is niets anders dan zon en zand. Ik hou het weinige verkeer in mijn spiegel in de gaten. Als er vrachtwagens naderen spring ik van de fiets en steek mijn duim op. Bij de derde poging stopt er een klein vrachtwagentje met een laadbak. We kunnen mee naar Bukhara, maar dan moeten we wel achter in de laadbak bij de fietsen. Prima! Ik weet dat de laatste 90 km erg slecht zijn, met veel gaten in de weg. Dat wordt stuiteren straks! Maar na ongeveer 30 km houdt het avontuur in de laadbak alweer op. De chauffeur stopt en maakt duidelijk dat hij het kleine dorpje naast de weg in moet, maar dat hij na 10 minuten terug is en ons weer zal oppikken. We laden alles uit en fietsen een klein stukje door naar een theehuis. Ik geloof er niks van dat de man terugkomt, maar Dennis gelooft erin.

We kopen wat te drinken en Dennis speelt een spelletje met een jongetje. Dennis moet raden bij welke club de voetballer speelt die het knulletje opnoemt. Na driekwartier wachten ben ik het zat en zetten we de fietsen langs de weg en steek ik mijn duim op. Ik zet in op vrachtwagens en busjes. Er stopt een vrachtwagenchauffeur, maar die had niet in de gaten dat de fietsen ook mee moesten. Helaas gaat dat niet passen. 

Bij Roestam hebben we meer geluk. Hij vervoert stalen buizen en heeft nog plek voor de fietsen. Wij kunnen 300 km mee in de cabine. Ook Roestam vraagt of we kinderen hebben door te zeggen: ”Baby?” Als ik automatisch nee zeg denk ik: oh jawel. Ik zeg: ”Nee geen baby, twee grote kinderen”, en maak een gebaar van groot en twee. Roestam knikt instemmend.

Bij Roestam in de cabine

Nadat we 2 uur in de vrachtwagen zitten passeert onze eerste lift. Hij gaat dus wel naar Bukhara, maar met die 10 minuten bedoelde hij zeker wat anders.

Roestam stopt twee keer om te checken of de fietsen nog wel goed vast staan. De weg is namelijk niet overal even goed. Het laatste stuk is verschrikkelijk hobbelig. Dat lijkt de mensen hier niets uit te maken. De meeste rijden er met een aardige snelheid overheen. Het lijkt ook wel alsof ze een wedstrijdje doen wie de meeste bagage op dak of in een aanhanger mee kan nemen. Het wordt zo hoog opgestapeld dat het vaak gevaarlijk naar één kant helt. 

High five!

Dertig kilometer voor Bukhara is Roestam op de plaatst van bestemming en laden we onze fietsen uit. Bij een supermarktje stoppen we voor water en wat te eten. Het is inmiddels 16:30 uur en we hebben best trek. Het ontbijt was om 4:00 uur ’s ochtends en we hebben de lunch overgeslagen. We “kletsen” met twee Oezbeken, drinken en eten een cakeje. Ik bied hen ook wat aan, maar dat is slecht voor de tanden. Een van de mannen lacht een glimmende rij gouden tanden bloot. De mannen die de supermarkt bevoorraden met ijsjes bieden er ons ook één aan. Als twee blije kinderen genieten we van het vanille-ijsje. Als de ijsboeren ons later inhalen toeteren en zwaaien ze enthousiast. Na 30 km gaten ontwijken vinden we een fijn hotel met een werkende airco en vallen we vroeg en tevreden in slaap.

Verstikkend heet

Ik begrijp dat er warme dagen aankomen in Nederland. Het kwik stijgt zelfs boven de 30 graden in ons mooie Rijnsaterwoude. Hier zou dat een verademing zijn. 

We schuilen voor de hitte in een kamer waar de airco op volle toeren draait. Maar zo nu en dan moet je er toch uit.

Zoals twee uur geleden. Het was tegen 13:00 uur lokale tijd en we kregen trek. 

Het is 43 graden Celsius als Nicole de koele deurklink van het hotel van zich afduwt. Door de kier die alsmaar groter wordt worstelen zich graaiende handen naar binnen en nog voor we de eerste stap buiten hebben gezet, hebben de hete klauwen ons al vast. Bij mijn enkels en bij mijn kuiten. Ik voel hoe ik word beetgepakt door de hitte. Ik draag een korte broek, een wit hemd en sandalen. De klauwen laten niet meer los en hebben mijn bovenbenen al te grazen. We zetten een stap buiten de deur en direct klauwt een warme hand naar mijn polsen. Het blijft niet bij één hand, er lijken zich over de volle lengte van mijn armen handen aan me vast te klampen. Ze knijpen licht en laten niet meer los. Na enkele stappen op weg naar het restaurant grijpen ze tenslotte naar m’n keel. Ook die krijgen ze te pakken. 

De hitte hier in Nukus, Oezbekistan, is verstikkend. 

Ook valt het niet mee om hier een gezellig restaurantje te vinden want alles zit hier achter gesloten deuren en verduisterde ramen. Vanwege diezelfde hitte. De zon wordt op allerlei manieren buiten de deur gehouden. Zware gordijnen hangen voor ramen en deuren. Soms zijn de ruiten getint en spiegelen ze van de buitenkant. Je ziet van buitenaf helemaal niets van het interieur maar kunt, eenmaal binnen, wel naar buiten kijken. Een buiten dat oranjebruin kleurt als door een zonnebril.

Een enorme airconditioner drukt de temperatuur in het restaurant verder naar een draaglijk niveau. De grote vierkanten koelkast die langs de gevel staat te brullen krijgt het op zijn beurt weer veel te warm van al dat koelen. Vlak voor ie oververhit raakt, gooit de eigenaar een paar emmers water dwars door het rooster van de airco naar binnen. Het water loopt er daarna als zweet weer uit. 

Gelukkig weten we precies waar we naartoe lopen. We zijn gisteren na het bezoek aan een aardig museum toevallig in een goed restaurant terecht gekomen. Van buiten was uiteraard niets te zien, alles zat dicht, maar we zagen er in korte tijd aardig wat mensen naar binnengaan. Dat is doorgaans een goed teken en ook dit keer bleek dat het geval.

Als we na een klein kwartier door de hete stad het restaurant binnengaan, laten de eerste handen langzaam los. Dat doen ze in dezelfde volgorde als toen ze me vastpakte. Eerst laten ze de enkels los, dan de benen en armen. Als laatste verliezen ook de handen rond mijn keel hun grip en kan ik weer vrij ademen. 

Wanneer ik naast- en aan de binnenzijde van het donkere spiegelraam van het restaurant plaatsneem, verschijnen nog enkele stroompjes zweet op mijn voorhoofd en in mijn nek. Ik veeg ze af met de servetten die voor handen zijn. Het zijn kleine servetjes dus met één red ik het niet. Nicole zweet een stuk minder dan ik dus ik kan over de gehele voorraad servetten beschikken. Na een servet of vier ben ik het zweet de baas en zit aangenaam genoeg om na te denken over mijn bestelling.

In het restaurant zitten al enkele mensen. En nu ik geacclimatiseerd ben, zie ik dat het bruiloftsgasten zijn. De dames gaan gekleed in enorme jurken en de mannen in driedelig kostuum. Ik vraag me af hoe ze het vol kunnen houden in die kleding bij een temperatuur van inmiddels 45 graden. Ik heb het me nog niet afgevraagd of ze stappen op. Langs de kant van de weg zien we een zwarte verlengde Hummer (de auto van het bruidspaar) met erachter de schoongewassen auto’s van de bruiloftsgasten staan. Voor ze in de auto’s stappen is het nog even wachten op het bruidspaar. Dat doen de gasten in de volle zon op het museumplein. Als het bruidspaar dan eindelijk verschijnt, moet er nog worden geposeerd voor de trouwfotograaf. Dit gebeurt voor de ingang van het museum, voor de fontein, op het museumplein en tenslotte zittend en op hurken voor de Hummer.

Ondertussen hebben wij onze bestelling al doorgegeven en hebben we een eerste glas kersensap gedronken. 

Even later verschijnt er een koppel backpackers op het museumplein. Ze lopen scheef van de bagage en de neus van de jongen die vooroploopt is flink verbrand. Hun beider monden zijn vergroeid met de fles water die ze beide bij zich dragen. 

Als ze even later ook het restaurant binnenkomen, is het van korte duur. Ze zoeken geen eten of verkoeling maar wifi. Iets dat tegenwoordig voor velen belangrijker is dan een goed bord eten. Er is geen wifi in het restaurant dus de backpackers trekken verder door de moordende hitte. Ik zie ze verderop een telefoonwinkel binnengaan maar ook daar staan ze al snel weer buiten op de stoep.

Er fietst een oudere man langs op een fiets die niet van hier is. Langzaam. De warmte maakt de man zo traag dat ik kan zien dat zijn fiets te modern en van te hoge kwaliteit is voor wat hier gewoon is. Zelfs de kleur verraad dat de fiets uit het westen komt want hij is gespoten in een soort lila dat je hier enkel vindt op kinderfietsjes van Chinese makelij.

Ik ken de man, ik ken zijn naam. Hij mij niet. Het is een fietser uit Zwitserland van wie ik bij de receptie van ons hotel het paspoort heb ingezien. Toen ik gisteren namelijk langs de receptie liep, viel mijn oog op een lila toerfiets die in de hoek van de lobby stond geparkeerd. Ik vroeg de jongen van de receptie wie de berijder van de fiets was. Hierop schoof hij mij de kopie van het Zwitserse paspoort van de man onder mijn neus. Ik keek naar de naam en de foto op het paspoort en vroeg me tegelijkertijd af of ik de man kende. Inmiddels kennen we aardig wat fietsers die net als wij onderweg zijn naar de Pamir Highway. Deze Zwitser was me echter onbekend. De receptionist wist me bovendien te vertellen dat de man pech had met zijn fiets. Zijn hydraulische achterrem was kapot. Iets dat je in deze streken nergens gerepareerd krijgt omdat simpelweg het gereedschap ervoor ontbreekt. Nicole overkwam hetzelfde in Oostenrijk, een plek waar ze zoiets wel eenvoudig kunnen repareren. 

Ik stond met de jongen van de receptie inmiddels bij de fiets van de Zwitser toen hij me vertelde dat de Zwitser had gezegd dat hij 5000 euro voor de fiets had betaald. Voor de Oezbeek een ongelooflijk bedrag (hier is dat een kleine 49 miljoen Oezbeekse Sum).

Nou die Zwitser kuierde dus voorbij op zijn dure lila fiets zonder achterrem. Hij kon mij niet zien terwijl ik me afvroeg hoeveel hij eigenlijk over óns wist.

Toen we de kortste weg van schaduw naar schaduw terugliepen naar ons hotel waren de handen er weer. Ze waren met meer en grepen me nog steviger vast dan op de heenweg. Ze waren duidelijk van plan me niet meer los te laten

Op de terugweg was het 46 graden Celsius.

En vanavond moeten we weer eten.

Van onze vrijheid beroofd

Ik zit al ruim 16 uur in een cel. Het is geen eenzame opsluiting want ik deel de cel met Nicole. Onze cel is 4 meter lang en drie meter breed en daar mogen we blij mee zijn. Andere gedetineerden zitten soms met 4 man in een nog kleinere cel en hebben niet, zoals wij, de luxe van een raam. Overigens biedt dat raam geen enkele mogelijkheid om te ontsnappen ondanks dat het voor ons beiden groot genoeg is om doorheen te kruipen. 

Het raam staat open. De twee grote schroeven die het raam afsluiten heb ik met de hand los kunnen draaien. Nu delen we onze cel met z’n drieën. Nicole, ik en de welkome wind.

Onze ‘cel’

Het klinkt misschien als het laatste Kuifje-avontuur als ik je vertel dat we in de handen van Professor Gul zijn gevallen. De Professor heeft ons van onze vrijheid beroofd en zal verder ons lot bepalen.

Voordat we onze cel kregen toegewezen, zaten we al enige tijd in een ‘detentiecentrum voor vreemdelingen’. Gelukkig voor ons was het ruim opgezet en hadden we de beschikking over een toilet, warm- en koud drinkwater en een airconditioning. In het detentiecentrum mochten we, prettig genoeg, op onze eigen luchtbedden en in ons eigen beddengoed slapen. Op de grond. We hadden nog graag onze binnentent opgezet om ons tegen de vele muggen te beschermen maar de ‘zusters’ die ons bewaakten lieten dat niet toe. 

Het terrein in Alat waarop het detentiecentrum staat

We noemden de bewakers zusters omdat ze gekleed gingen in lichtblauwe kleding die ons deed denken aan dat van verplegend personeel in een ziekenhuis. De eerste nacht was de zuster erg streng. Zo moest ’s nachts het licht van de slaapzaal aanblijven. We konden maar moeilijk de slaap vatten onder de vele tl-lampen die aan het witte systeemplafond hingen. Ook waren we geen baas over de airconditioning die door de zuster na 21:00 uur werd uitgezet waardoor de temperatuur snel opliep en mijn kussen net zo snel doordrenkt raakte met zweet.

Nicole en ik lagen naast elkaar in de grote slaapzaal en ver weg van de anderen wiens taal we niet spraken. In de buurt van de toiletten vonden we een rustig plekje waar we niet vol onder het felle licht lagen. Keerzijde hiervan was de toiletgeur die we moesten trotseren.

Het detentiecentrum bevindt zich trouwens in Alat, 70 kilometer onder Baku. Die eerste nacht lagen we er met een man of 10. 

Langzaam maar zeker nemen we onze slaapplekken in.

Onder de gedetineerden was een man die zichtbaar ervaring had met het gevangeniswezen. Hij was een groot deel van de dag aan het ijsberen. Dertien stappen heen, 180 graden draai, dertien stappen terug. Eindeloos. Hij kreeg de bijnaam ‘Thirteen Steps’. Ondertussen haalde hij met zijn vingers zijn neus leeg. Wij en de anderen werden nerveus van deze man. Ook dat was een reden voor ons om onze matjes dicht bij de wc’s, en ver bij deze neuroot vandaan, uit te rollen.

Die eerste nacht was zwaar. De warmte, het licht en de muggen waren dodelijk. Aan de wc-geur raakten we langzaam gewend.

De dag erna begonnen Nicole en ik een charmeoffensief. We moesten de ‘zusters’ voor ons zien te winnen om het leven in het detentiecentrum dragelijker te maken. Ik kreeg de zuster van dienst zover dat ze moest lachen (ik deed een weinig geslaagde poging tot salsadansen). Een kleine overwinning die werd beloond met een blik op twee volle rijen gouden tanden. Vanaf die dag kreeg deze zuster de bijnaam: ‘Miss Golden Tooth’. 

De tweede zuster, en de strengste, kreeg Nicole aan haar zijde door haar liefkozend ‘mama’ te gaan noemen. De zuster begon zich daardoor wat meer om Nicole te bekommeren. Misschien ook omdat ze een van de weinige vrouwen was in het detentiecentrum. Zo kreeg Nicole de tweede dag brood en een soort karnemelk van mama.

Ons offensief wierp z’n vruchten af want de tweede nacht mocht het licht ’s nachts uit en bleef de airco aan. De toiletten werden een extra keer gepoetst.

In totaal hebben we 4 dagen en 3 nachten in het detentiecentrum gezeten. Wachtend op Professor Gul.

Toen de Professor gisteren eindelijk aanmeerde, werden we na enkele grondige controles (papierwerk en röntgen scans) van het detentiecentrum naar het laadruim van het schip gebracht. Onze fietsen moesten we aan stalen staanders vastmaken en alleen broodnodige bagage mocht mee naar boven. Daar kregen we een kajuit toegewezen voor onze overtocht van de Kaspische Zee. 

In die kajuit zitten we nu dus ruim 16 uur. Af en toe gaan we luchten op het dek en op gezette tijden krijgen we een eenvoudige maaltijd voorgeschoteld.

even luchten op het dek van de Professor Gul

Als we vrijkomen staat ons heel wat te wachten. Professor Gul laat ons vrij in Kazachstan en daar begint een tocht door de woestijn richting Oezbekistan die er niet om liegt. Hoge temperaturen en nergens schaduw. Voorzieningen zijn er nauwelijks en als ze er zijn, zijn ze uitermate beperkt. Een beproeving dus. 

We gaan proberen de woestijn te trotseren maar wees gerust. Als het gekkenwerk wordt, dan laten we ons gewillig kidnappen door een trein met vast óók een prachtige naam uit een van de Kuifje strips.

Baku, en het grote geheim

Ik kijk in een spiegeltje dat mij twee ogen toont. Het zijn niet de mijne. Ze zijn bruin, en ik zie dat de ogen moe zijn, halfgesloten en van hier. Hier is Azerbeidzjan.

Mijn eigen ogen moeten wennen aan een snelheid die ze al bijna 5 maanden niet meer kennen. Rechts van mij, en niet zichtbaar in de achteruitkijkspiegel, zit Nicole. We zitten dicht op elkaar in de cabine van een kleine truck. Vooral mijn knieën hebben last van de beperkte ruimte. Ze willen strekken en buigen, het liefst aan een stuk door. Ze willen eigenlijk gewoon fietsen, ze weten niet beter.

Na ruim 200 kilometer door de woestijn te hebben gefietst, kwamen we compleet afgedraaid aan bij het door onze navigatie-app aangegeven overnachtingsplaats. Het was overvol op de oase die op de app de naam F@d@k heeft meegekregen. Dit was tevens de naam van ons beoogde motel. 

F@d@k bleek een populaire pleisterplaats voor truckers en automobilisten die van- en naar Baku onderweg waren. Je kon er uitgebreid eten op diverse terrassen, bij foodtrucks en andere zelf getimmerde eetstalletjes. Er was voor de kleintjes een grote speeltuin en voor eenieder een soort van vogeltuin en een welriekend toilethuis.

Nicole en ik trapten onszelf het stoffige horecaondernemersplein op en werden door een verkeersregelaar gemaand om de fietsen op een door hem aangegeven plaats te stallen. Dit deden we niet. We bleven nog even gedesoriënteerd over het terrein rollen toen we dezelfde verkeersregelaar besloten te vragen of hij ons door de drukte naar het motel kon wijzen. De man in het fluoriserend gele hesje zei dat er in F@d@k geen motel was. Om zijn woorden kracht bij te zetten, en daarbij een definitieve streep door onze hoop op een douche en een bed te trekken, maakte hij van zijn onderarmen een kruis en richtte deze naar ooghoogte op. Nicole en ik keken elkaar aan en zagen niets dan vertwijfeling in elkaars ogen. 

Ondertussen stak er een stevige, stoffige, wind op die ons het laatste zetje gaf. We stapten af.

We besloten wat te gaan eten. We konden na een rit van 94 kilometer door de barre zandvlakte de verse energie van een maaltijd wel gebruiken. Het leek ons ook verstandig om even rustig de tijd te nemen om na te denken over onze opties. 

Al vrij snel kwamen we erachter dat er geen andere optie was dan doorfietsen en hopen dat we langs de route een geschikte plek om te overnachten zouden vinden. We werden een beetje stil van dat vooruitzicht want de laatste dagen door de woestijn hadden ons zowel geestelijk als fysiek moe gemaakt.

In stilte aten we van een salade, wat frites en een bouillon met vlees. 

‘We kunnen ook proberen te liften’, zei Nicole na een slok Fanta. Het L-woord was gevallen. Het klonk daar in de oase niet als vloeken. Het klonk als de L van Lekker! Leuk! Let’s do it! 

‘Waarom niet’, antwoordde ik. ‘Het moet zeker lukken met al die mensen hier. We moeten alleen een truck of een busje hier voor de poort zien te strikken’.

Zowel Nicole als ik hadden in ons leven slechts één keer eerder met opgestoken duim langs de kant van de weg gestaan. Nicole in Andorra en ik in Spanje. Daar was het ons allebei gelukt een lift te krijgen. Hier in Azerbeidzjan moesten we het nog maar zien met die twee volgepakte fietsen in de hand.

Na de maaltijd duwden we onze fietsen naar de grote parkeerplaats langs de kant van de weg en namen onze liftposities in. Iedere truck en iedere busje dat groot genoeg leek om ons en de fietsen mee te nemen kreeg van ons een ‘thumbs up’. De aandacht die we daar langs de weg kregen was enorm en enthousiast. Er kwamen zelfs mensen naast ons staan voor een gezamenlijke foto. Iedereen op de foto moest in de lifthouding met de duim omhoog. Van veel passerende auto’s, busjes en trucks kregen we een ferme duim terug maar stoppen deden ze niet.

Toen was daar een truck met een open laadbak. De chauffeur had net als wij lekker zitten eten en hij begon rustig aan een poging om in te voegen tussen het passerende verkeer. Wij kregen hem in het snotje dus sprongen voor zijn truck en begonnen te huppelen en juichen alsof hij al had besloten om ons mee te nemen. Ik zag in de ogen van de chauffeur dat hij daardoor even van z’n à propos raakte. We sprongen nog hoger en zwaaiden onze vier duimen naar alle kanten. Ons vrolijke gejuich trok veel aandacht van het overige publiek dat nu ook verwachtingsvol naar de chauffeur begon te kijken. Gaat hij ze echt meenemen?, dachten zij. Gaat hij ons echt meenemen?, dachten wij.

De wereld hield z’n adem in en de chauffeur minderde vaart. Hij zette de truck stil en stapte uit de cabine. Een kort gebaar met hoofd en hand vertelde ons dat we de fietsen achterin konden leggen. Gejuich en geklap klonk nu ook om ons heen. En de duimen van de omstanders verschenen uit vele broekzakken.  

We konden ons geluk niet op. Van een ellendig gevoel waren we ineens in pure euforie beland. De man knikte nadat Nicole het woord Baku op vragende toon uitsprak. Hij moest naar Baku

Zo komt het dat we nu dus opeengepakt met 110 kilometer per uur door het laatste stuk woestijn stuiven. 

Als mijn ogen gewend zijn aan het nieuwe reistempo, zien ze rechts stalletjes met meloenen. Galia en Water.

Een paar kilometer verder staan er een stuk of tien jongens langs de kant van de weg. Ook zij proberen iets te verkopen aan het voorbijtrekkende verkeer. Even denk ik aan vis. Het lijkt zilver en heeft de afmeting van kabeljauw. Het is geen vis. De jongens staan met konijntjes in de hand. Met duim en wijsvinger houden de jongens de beestjes vast bij de lange oren. In iedere hand één. De konijntjes zweven hulpeloos boven het hete asfalt.

De chauffeur zwijgt de hele rit en heeft geen oog voor de verkopers. Ook niet als er even later mannen met dampende maiskolven langs de weg staan. Hij let op de weg en wil er zeker van zijn dat hij zijn kostbare lading straks heelhuids in de stad afzet. 

Vlak voor Baku kijk ik in een spiegeltje dat mij twee ogen toont. Het zijn niet de mijne. Ze zijn bruin, en ik zie dat de ogen moe zijn, halfgesloten en van hier. Meer zie ik niet. Wat er achter die ogen schuilgaat is voor mij een groot geheim. Net als Baku, de stad die we samen inrijden dat is, en dat voor mij altijd zal blijven.

Baku
Translate »