• info@pedalenenverhalen.nl

– Het Loempia-Avontuur

Vliegen met fietsen

Ik doe mijn fiets op slot en de tijd loopt. De missie is duidelijk. We hebben twee dozen nodig voor onze fietsen want deze nacht pakken we het vliegtuig richting Moskou en daarna naar Hanoi. De fietsen moeten stevig verpakt worden. Een plastic zak, zoals we die hadden toen we vorige zomer met de fietsen naar Canada vlogen, lijkt ons onvoldoende voor een vlucht met overstap en uitgevoerd door het Russische Aeroflot (waar ze, als ik andere fietsers moet geloven, met fietsen schijnen te smijten).

De tijd loopt.

Nicole past op de fietsen en ik stap het speelveld binnen; een winkelcentrum dat inderdaad bestaat uit talloze winkels maar bepaald niet in het centrum van Osh staat. Een tipgever heeft ons op het hart gedrukt dat dit de plek is om fietsdozen te scoren. We gokken het erop. 

Dit is niet ons eerste winkelcentrum waar we ons geluk beproeven want een dag eerder gingen we vol goede moed naar een winkelcentrum dat wel in het centrum van Osh was gelegen. We waren er al eerder geweest en hadden bij een soort MediaMarkt om twee fietsdozen gevraagd. Bij het stellen van de vraag lonkte ik naar de glimmende rij fietsen bij de ingang. Ze stonden er mooi bij. Van mountainbike in grootte aflopend naar een klein felgekleurd driewielertje. De doos van de grootste mountainbike zou ons van dienst kunnen zijn, liet ik weten. Dat waren de fietsverkopers eveneens want ze wisten ons via een Engelssprekende collega van de afdeling ‘krultangen en overige scheertoestellen’ te vertellen dat er de volgende dag een nieuwe lading fietsen werd geleverd. Gewoon op zondag. Ze zouden met plezier twee grote dozen voor ons apart houden.

Gisteren gingen we die twee dozen dus ophalen. Vervelend was het dat niemand van het personeel op de werkvloer hetzelfde was als afgelopen zaterdag. Zelfs het meisje van ‘krultangen en overige scheertoestellen’, dat zo lekker Engels sprak, had een vrije dag. De jongens van de fietsen waren in geen velden of wegen te bekennen. Ik was aangewezen op een meisje dat op de rustige maandag de verantwoording van zowat heel de winkel had. Ze sprak geen woord toeristisch en de senior collega die ze in allerijl raadpleegde zat zo lekker onderuitgezakt achter een bedrijfslaptopje dat ik van verre al kon zien dat zijn antwoord op iedere willekeurige vraag die zijn logge lijf in beweging zou brengen, nee zou zijn. 

We wisselden wat woorden uit via Google Translate maar dat mocht niet baten. Er waren ondanks de belofte geen dozen, tenzij ik de fiets die erin zat erbij kocht. Ik overwoog enkele koel vriescombinaties die tegen een blinde muur stonden omver te trekken maar besloot mijn schouders op te halen en verliet de tent. Nicole kon haar teleurstelling niet goed verbergen toen ze me zonder fietsdozen de ‘MediaMarkt’ uit zag komen. “Das ook lekker!”, zei ze. En daarmee sloeg ze de spijker op z’n kop.

Nu dus nieuwe kansen bij het winkelcentrum buiten het centrum. Hier moest het gebeuren. Ik besloot eerst een verkennend rondje te lopen langs de meubel- en witgoedwinkels. Het rondje stemde me hoopvol. Na een minuut of tien had ik alle hoeken en gaten besnuffeld en liep terug naar het hoofdkwartier bij de fietsen om verslag aan Nicole uit te brengen. Ik kon haar twee opties voorleggen. Ik had enorme lege dozen gespot bij de witgoedhandelaar. De dozen waren van koel vriescombinaties van minstens twee meter. Daar viel wat van te knutselen. 

De tweede optie was een mindere maar toch het vermelden waard. Bij de bankenpecialist lagen in de hoek (bij de hoekbanken) tientallen lege plastic zakken van zware kwaliteit want eens beschermde ze de afzichtelijke (hoek)banken die compleet fantasieloos stonden opgesteld in een veel te grote ruimte. Alleen de zakken leken ons onvoldoende maar als de fietsen in dozen werden gepakt en vervolgens konden worden voorzien van de zware bankzakken, dan waren we spekkoper. 

Nicole hoorde mijn opties instemmend knikkend aan. “Ga maar halen”, zei ze. “Doe ik!” was mijn kordate antwoord. Ik liep opnieuw het centrum binnen en liep recht op mijn doel af; de koel vriesdozen. Ik trof bij de dozen een grote verkoper aan en vroeg hem of hij me kon helpen aan twee van zijn nog grotere dozen. Dat kon hij onmogelijk want die dozen waren van de showmodellen en als die werden verkocht konden ze ‘huppekee’ terug in de dozen, zo was het verhaal. Ik was er al bang voor. Ik liet me niet kisten en vroeg door. “Kunt u me misschien de plek wijzen waar jullie winkeliers het karton weggooien, een container misschien?” De man zwaaide een hand door de lucht die mij duidelijk maakte dat ik moest volgen. We liepen van het witgoed naar de banken (in mijn ooghoek zag ik de lege plastic zakken tussen de hoekbanken lonken. Ze moesten nog even wachten) en dwars door een lampenwinkel naar een deur achteraf. Door de deur kwamen we in een gangetje tussen enkele winkels. Het gangetje was bezaaid met dozen. Tot mijn vreugde zag ik er enkele zeer grote tussen. Enthousiast begon ik eraan te trekken en greep twee dozen die me bruikbaar leken. Ik bedankte de man voor zijn hulp. Hij had me werkelijk zeer goed geholpen, liet ik hem weten.

Tot hij de woorden uitsprak die mijn broek deden afzakken. Ik was er meteen klaar mee. De man van het witgoed vroeg me in het halletje van de lampenwinkel wat ik bereid was te betalen voor de dozen. Ik liet de dozen vallen alsof ze mijn vingers brandden. “Oh no!”, zei ik. En liep direct het halletje uit, onder het met lampen bezaaide plafond hield ik stil en keek nog een keer vragend naar de man van het witgoed. “Are you serious?”, vroeg ik oprecht verbaasd. De grote verkoper trok zijn schouders op en zei me dat de dozen niet van hem waren dus… Mijn verbazing werd nóg groter. “Dus die dozen zijn niet van jou maar jij vraagt mij er wel geld voor?”. Hij trok nog maar eens een keer zijn schouders op.

Geen dozen dus.

Plan B. De dikke plastic zakken bij de meubelzaak. 

Net voor ik de meubelzaak betrad liepen de twee jongens die er werkten de deur uit met ieder een kant van een hoogslaper in de handen. ‘Handel’, dacht ik. Ik besloot even te wachten tot ze terugkwamen en nam ondertussen een kijkje bij de dikke zakken. Ik koos er voor het gemak vast twee uit die me geschikt leken en stopte ze in elkaar zodat ik ze bij een akkoord direct mee kon nemen. Ondertussen keek ik slinks naar de deur in de lampenwinkel. De deur naar het halletje met de dozen. De twee dozen die ik in bijzijn van de witgoedman had uitgekozen stonden nu vooraan. Voor het grijpen! ‘Zal ik het doen?’, dacht ik. Het is zo gepiept en er was niemand in de lampenwinkel. Sterker, er was ook niemand in de meubelwinkel dus als ik daadkrachtig optrad, liep ik de deur uit met mijn twee klaarliggende plastic zakken en mijn twee klaarliggende grote dozen. Ik gebruik twee keer het woord mijn, ik beschouwde het verpakkingsgoed dus al als mijn eigendom. Bovendien was er in geen geval sprake van diefstal. Het was restmateriaal. Ik was hoogstens te betrappen op recycling!

Toch durfde ik de dozen niet uit het halletje te halen. 

De plastic zakken greep ik wel uit de hoek. Die gasten van die hoogslaper waren nog steeds niet terug en ik stond inmiddels wortel te schieten. Ik had het ze heus wel gevraagd als ze terug waren gekomen maar er was niemand die me kon helpen dus ik ging verder uit van het principe ‘selfservice’. 

Met twee armen vol plastic liep ik het winkelcentrum uit en presenteerde de oogst aan Nicole. We hadden nu tenminste iets en hadden niet voor niets de 4 kilometer naar het winkelcentrum afgelegd. 

Maar ik was nog niet klaar. Ik zag nóg een kans en liet het plastic bij Nicole achter om me nog één keer in het hart van het centrum te begeven. Ik had een trap gezien die naar een zwart gat afdaalde. Bovenaan de trap stond een emmer met een ’soppie’ waar iets te vaak een dweil in was uitgeknepen. Het water zag donkergrijs, net als het trapgat. Verder geen teken van leven. Ik nam de treden naar beneden en had al snel de zaklantaarn van mijn mobieltje nodig om mijn weg naar de diepte te vervolgen. 

Mijn vermoeden was juist geweest. Onderaan de trap, in het pikzwarte gat, lagen talloze dozen. Stuk voor stuk naar beneden gesodemieterd. Op mijn gezicht verscheen een glimlach die voor niemand zichtbaar was. Ik kroop over de eerste dozen en keek zover de lichtbundel van mijn mobiel reikte. Overal waar ik keek lag karton maar nergens een stuk dat groot genoeg was om een fiets in te pakken. Ik begon combinaties van meerdere kleine dozen om onze fietsen te overwegen. Patchwork. Plastic erover en klaar. Niet ideaal maar je moet wat. Ik kroop terug naar de eerste dozen. Dit bleken de grootste te zijn in de donkere kelder. Ik hield een doos in de lucht om de dimensies eens goed in te schatten toen mijn oog op de achterliggende muur viel. Daar zag ik grote stukken karton in lange repen en keurig voorzien van een lint die de repen als geheel bij elkaar hield. Dit had iemand speciaal voor ons klaargezet, dat kon niet anders want mijn timmermansoog zag direct dat daar precies twee fietsen in pasten. Ik kroop ongeduldig terug over de dozen naar de schat tegen de muur. Gehaast alsof er uit het duister van een andere kant snel iemand kon opdoemen die zijn oog ook op de grote repen karton had laten vallen. Die moest ik wel voor zijn. Ik greep naar het lint en voelde aan het gewicht direct dat mijn missie was geslaagd. 

Heerlijke stroken karton
Lijkt wel een kadootje!

Ik liep de kerker uit met een keurige verzameling karton onder mijn arm en hoopte heel hard dat ik de geldbeluste witgoedverkoper tegen het lijf zou lopen. Als ik fictie zou schrijven had ik de scene geschreven maar helaas. Ik kwam de man niet tegen. Wel liet ik ieder ander mijn tevreden blik zien zoals ik ‘m ook de witgoedman zou hebben getoond. Ook Nicole zag mijn blik en beantwoordde deze met een zelfde tevredenheid. We konden inpakken!

P.S. Ik schrijf dit verhaal op het vliegveld van Moskou waar we wachten op onze vlucht naar Hanoi (Vietnam). Onze fietsen bevinden zich ook ergens op het luchthaventerrein. Stevig ingepakt in karton en dik plastic.

(We zijn terug uit) De Bartang Valley

Ik kijk uit het raam en zie een Joert. De wind speelt ruw met enkele leemkleurige lappen stof die het dak van de ronde nomadentent bedekken. De wind heeft hier zo vlak over de grens van Tadzjikistan, in Kirgizië, vrij spel en heeft ons er gisteren op weg hiernaartoe flink van langs gegeven. 

Achter de Joert vormen de besneeuwde bergtoppen een winters decor dat adembenemend mooi is. Het is een voorrecht om in een rustig tempo door dit decor te mogen fietsen. 

Blik op de ‘Bartang Valley’

De afgelopen week hebben Nicole en ik de ‘Bartang Valley’ gefietst. Dit is een van de routes dwars door het Pamir gebergte. We hebben ‘m van Rushan naar Karakol gefietst. Dit wordt gezien als de zwaarste route door het Pamir gebergte omdat je bergop fietst maar ook veel bergop moet duwen. Velen vinden het de mooiste route en dat is de reden voor ons om eraan te beginnen. 

In Rushan kopen we voedsel voor 8 dagen (vooral pasta) en slaan even later de drukke M41 af. De rust is direct voelbaar. Nog enkele kleine dorpjes wekken de indruk dat je niet alleen op de wereld bent, maar dat is voor korte duur. Mensen en auto’s ruilen we in voor een rivier die al eeuwenlang haar weg zoekt tussen de Pamir bergen. Die rivier en haar kleine stroompjes voedende smeltwater, voeden ook ons gedurende 7 dagen. Het koude, heldere, water dat van de bergen in kleine stroompjes de rivier bereikt lest onze dorst tijdens het fietsen en kookt onze pasta die ons voorziet van de energie om door de vallei en tegen de bergen op te fietsen. 

We hebben al snel in de gaten dat je veel energie nodig hebt om de 300 kilometer door het hooggebergte succesvol te doorkruisen. De gehele route is onverhard en de eerste dag lukt het ons om 40 kilometer af te leggen. We fietsen en duwen over combinaties van zand, keien, klei en leisteen. De eerste twee zijn het zwaarste te berijden. In het zand zak je zo zwaarbeladen diep weg waardoor je moet oppassen dat je niet onderuitgaat. Duwen is vaak de enige optie en is loodzwaar. De keien laten je stuiteren en doen een aanslag op je fiets en je polsen. Klei is, mits droog en hard, de beste optie maar de slechtste indien nat en drassig. Over stukjes leisteen rijden kun je het best vergelijken met fietsen over een grindpad.

Grillig en imposant

Je moet je ongelooflijk concentreren tijdens het fietsen. Je stuurt onafgebroken van links naar rechts om het beste pad te kiezen en moet inschatten waar je op de pedalen moet gaan staan om de klappen met je benen in plaats van met je kont op te vangen. Dit laatste doe je vaak als het even bergaf gaat en je wat snelheid maakt. Het meeste gaat zoals gezegd bergop en we komen dagelijks dan ook niet veel verder dan gemiddeld ergens tussen de 5 en de 10 kilometer per uur.

Op momenten dat je stilstaat of even een stukje goede kleiweg hebt, kun je rustig om je heen kijken. Wat je dan ziet is niet minder dan adembenemend. Berghellingen alsof ze met fijne kwasten zijn geschilderd in de prachtigste crème tinten. Na een volgende bocht in de rivier lijken de penselen weer in dieprood of paars te zijn gedoopt. 

De natuurlijke processen van erosie en sedimentatie bepalen voor een groot deel de loop van de weg. Hier en daar zijn stukken weg verdwenen onder stapels keien of leisteen dat van de hoge toppen is afgebrokkeld en in enorme hoeveelheden over de weg zijn gespoeld. Soms zó ver dat de weg deels door de rivier moet worden omgeleid.

Waar weg en rivier één worden

Ook de tweede dag door de Bartang vallei is prachtig. De kleurschakeringen in de bergen, de besneeuwde toppen en de uitdagende weg heeft ons nu echt goed in de greep. We fietsen er steeds moediger en handiger doorheen en weten 57 kilometer te fietsen. Ook weten we dat het vanaf dan steeds pittiger wordt. We moeten steiler omhoog naar uiteindelijk 4058 meter. De kleine dorpjes met boeren die je binnenhalen voor thee, geitenmelk en brood worden spaarzamer. We zullen weldra volledig op onszelf aangewezen zijn.

De laatste boer die we ontmoeten verzamelt het graan en schenkt ons thee en geitenmelk

En zo worden de afstanden per dag wat korter. De derde dag weten we nog 37 kilometer af te leggen maar een dag later zijn het er nog maar 27. De Bartang begint z’n tol te eisen. Ik kan geen droog brood, noedelsoep en pasta meer zien maar eet toch, wetende dat ik alle energie nodig heb voor de komende dagen als het nog een stapje moeilijker gaat worden. We zijn namelijk voorbij Gudara, halverwege de vallei. Dit is het allerlaatste plukje huizen, hierna is er 150 kilometer geen mens meer te bekennen en niets meer te krijgen.

We kennen het profiel van de weg die nog voor ons ligt en vrezen al een paar dagen een berg die te steil is om tegenop te fietsen. We zetten onze tent na 44 kilometer op een iets te schuine helling maar het is de laatste plek waar we nog fatsoenlijk kunnen staan want het is bijna zover, de gevreesde berg begint een kilometer of 4 verderop en daar is kamperen geen optie. We slapen gelukkig goed en beginnen uitgerust aan dag 6, de dag van de helse berg.

Op zoek naar een kampeerplekje

Als we het laatste stukje droge brood met honing hebben weggekauwd rijden we naar de voet van de berg. Als we naar boven kijken zakt de moed ons in de schoenen. In drie kilometer moeten we 450 hoogtemeters overwinnen. We zien een zandweg met stenen bedekt en eindeloze hoogte. Fietsen gaat vanaf meter 1 niet dus we duwen onze fietsen omhoog. Iedere 10-15 meter moeten we op adem komen. We zijn inmiddels op een hoogte ver boven de 3000 meter en dat is te merken. Een lichte hoofdpijn zingt door onze hoofden en we zijn razendsnel buiten adem. Na een uur kijken we naar beneden. We hebben de fietsen misschien 100 meter omhooggeduwd. We hebben 600 meter afgelegd. Het is zo zwaar dat we een te groot beroep op onze watervoorraad doen. Het lijkt erop dat we zonder water komen te zitten voordat we de top bereiken.

Als we na drie uur op twee derde van de berg zijn lukt het Nicole niet meer de zware fiets alleen omhoog te duwen. Ik duw de mijne 15 meter omhoog, zet ‘m op de standaard en loop naar beneden om samen met Nicole haar fiets naar dezelfde hoogte te duwen. En zo ploeteren we nog enkele uren voort. Niet ver onder de top drinken we onze laatste slok water. Ik maak me zorgen want ik heb geen idee wanneer de volgende stroom smeltwater zich zal aandienen. Ik hou me vast aan de wetenschap dat we na de top zullen afdalen en dat we dan eenvoudige kilometers kunnen maken die ons snel bij het begeerde water zullen brengen. 

Plotseling staan we oog in oog met een Tadzjiek die een paard aan de lijn mee omlaag voert. We stoppen en groeten elkaar zoals mensen dit hier doen. We schudden de hand en brengen de hand naar het hart. De man vraagt of we Russisch spreken en als duidelijk wordt dat we dat niet doen is er geen reden nog verder te kletsen. Ik pak mijn lege waterfles en wijs ernaar en maak een drinkbeweging. De oude Tadzjiek steekt zes vingers op en wijst naar de weg die voor ons ligt. Ik begrijp dat we over zes kilometer water bereiken. We nemen afscheid. Wij moeten nog tachtig meter naar de top, een uur duwen. Het stelt me gerust want na de top zijn die zes kilometers naar het water niet ver meer.

Net na de middag zijn we boven en uitgeput geven we elkaar een high five. Lang staan we niet stil bij het bereiken van de top want dorst maakt dat we direct beginnen aan de afdaling. De blijdschap is groot als we merken dat de oude Tadzjiek het precies bij het juiste eind had. Op zes kilometer van de top knielen we neer bij een koude stroom smeltwater en vullen onze flessen en bidons. Met grote teugen drinken we tot we eindelijk even tegen een steen aan gaan zitten en tevreden terugkijken op het slechten van de zwaarste kilometers van de Bartang vallei. Vanaf hier is het een zeer geleidelijke klim over een wonderschoon plateau. We kunnen ons geluk niet op.

Het plateau ontvouwd zich voor ons

Die middag fietsen we nog ongeveer twintig kilometer op het plateau. Er heerst daar een absolute stilte zoals wij westerlingen die niet kennen. Als ook de wind zich gedeisd houdt, weet je niet wat je hoort!

Hier heerst absolute stilte

De laatste dag door de Bartang is als rijden door het paradijs. Het fietsen gaat daar gemakkelijk en de zintuiglijke beloning van de zware dagen die achter ons liggen is overweldigend groot. De bergen hier zijn zo mooi dat je maar niet uitgekeken raakt. We fietsen en vergeten de vermoeidheid. Het gaat als vanzelf.

Die laatste dag fietsen we 75 kilometer richting Karakol. Na zeven dagen zien we weer asfalt en ook dat maakt ons gelukkig. Wat velen zien als begin van de Bartang (de meeste mensen fietsen ‘m in tegengestelde richting van Karakol naar Rushan, zodat het een lange afdaling is in plaats van een lange klim) is voor ons het eindpunt. In het zand heeft iemand, als entree, met stenen het woord Bartang neergelegd met daarbij een hartje en een grote pijl naar links. Wij stappen op het asfalt en maken er een foto van.

We hebben het ‘m geflikt!

Lezen is reizen

Het is alsof de afgelegde kilometers er niet meer toe doen. Een groot deel van de wereld hebben we inmiddels onder onze wielen door laten rollen maar nu we bijna aan de voet van de Pamir Highway staan voelt het alsof de pakweg 8000 kilometer ernaartoe louter voorspel waren. We zijn enkel komen aanrijden. Nu begint het echte werk. Onverharde wegen, stevig klimwerk, onherbergzame streken, geen mens in de wijde omtrek, oneindige vergezichten, warmte en kou. Alleen wij, het landschap en de elementen.

Morgen zadelen we op naar weer een nieuw land. Tadzjikistan. Daar zullen we nog enkele dagen in Doesjanbe verblijven voor we aan de Pamir beginnen. We hebben grootse plannen. Je kunt de Pamir op verschillende manieren fietsen. Officieel loopt ie via de M41 maar veel fietsers kiezen alternatieve routes. De Wakhan Valley-route langs de grens van Afghanistan is populair onder fietsers en was ook onze keuze. Tot we gisteren Frantz spraken, een fietser die de Pamir vanuit ons perspectief ‘andersom’ heeft gefietst. Hij was onder de indruk geweest van de wisselende vergezichten die de Bartang Valley-route bood. De foto’s die z’n verhaal kracht bij zetten waren adembenemend mooi, waarop we direct de Bartang Valley-route gingen overwegen. Nadeel is dat je bij de ‘Bartang’ een heel stuk Pamir afsnijdt. Dat zou jammer zijn dus hebben we het plan opgevat om eerst de Wakhan-variant te fietsen, Dan terug via de M41 en als een slang weer verder door de Bartang.  Dat is geen kattenpis, daarvan zijn we ons bewust, en het is heel goed mogelijk dat we tijdens het fietsen zo verschrikkelijk afzien dat we op ons plan terugkomen, maar hier, vanuit het rustige hostel in Samarkand, lijkt het vooralsnog een fantastisch plan. Dat betekent dat we een paar weken langer op de Pamir zullen zijn maar dat lijkt ons geen straf, zeker niet vergeleken met het fietsen in de mokerende woestijnzon.

Blauw, rood, bruin, oranje, rood (linksaf), groen en rood naar Osh

In de bergen zullen we grotendeels verstoken zijn van internet dus blijft het van onze kant een poosje stil, je moet dan maar even iets voor jezelf gaan doen. Je kunt bijvoorbeeld De Eeuwige Bron van Ayn Rand gaan lezen. Ik ben er zelf in bezig en ben vanaf de eerste bladzijde geboeid. Lezen is trouwens een beetje als fietsen in de bergen. Een goed boek maakt nieuwsgierig naar ontwikkelingen zoals een bocht in de weg of het passeren van een top je doet verlangen naar een volgend uitzicht. Als ik lees reis ik ook. Nu lees ik tijdens het reizen en reis ik dus dubbel. Mijn hoofd bevindt zich hier langs de Zijderoute maar tegelijkertijd in Stanton, Massachusetts, waar de jonge architect Howard Roark uit De Eeuwige Bron zijn eigenwijze carrière begint. Beide reizen zullen me zonder meer verrijken.

Tip!

We leven een sprookje

Het is moeilijk om deze dagen niet over de warmte te schrijven. De temperatuur is al geruime tijd boven de 40 graden en dat merk je aan alles. We fietsen desondanks zo veel als mogelijk maar we merken dat de energie steeds een beetje verder op raakt. Het aanvullen ervan blijkt lastig in Oezbekistan. Er zijn talloze Mini Markets op onze route maar het voedselaanbod is zeer beperkt. Er is brood. Heel veel brood. Zoveel dat het mijn neus uitkomt. Het is het soort brood dat erg snel droog is en de kleine ‘supertjes’ langs de weg verkopen niet zelden een of twee dagen oud brood dat, mits je de ronde variant koopt, makkelijk een weekend dienst kan doen als frisbee aan het strand van Noordwijk.

Een wagen vol koren

Qua broodbeleg is de variatie als volgt: smeerkaasjes (de driehoekjes in zilverfolie), jam of chocopasta. De smeerkaasjes kunnen we soms aankleden met een schijfje tomaat en/of komkommer. Zo nu en dan koop ik een droge worst voor op brood maar mijn maag is al enkele dagen goed van streek dus houd ik de vettigheid wat buiten de deur.

Oh ja! Alles wordt meestal weggespoeld met water van ruim 40 graden. Daar krijg je een enorm droge keel van. Onderweg kopen we waar mogelijk flessen koud water en Fanta.

Nicole ligt, terwijl ik dit schrijf, achter me in bed. Gisteren zijn we in de middag in Samarkand aangekomen, waar we een bekende troffen in ons hostel. Na een kletspraatje en een potje thee zijn we rond de klok van 18:00 uur naar bed gegaan en alleen ik ben er nog een keer uit geweest om een ventilator te halen die ons wat meer verkoeling kon bieden op ons warme kamertje. We hebben tot vanmorgen 08:00 geslapen. Tot 09:00 uur hebben we ontbeten en daarna is Nicole weer in bed gedoken. Ze slaapt nu al weer tweeëneenhalf uur.

Fitheid laat zich in de ontlasting lezen. Is die als schepijs, dan kun je de hoogste bergen aanvangen. Is het meer als softijs, dan kom je de heuvels nog redelijk over. Echter, zodra het waterijs wordt, dan is het op het vlakke al knap lastig. Ik zit al een dag of vijf in de laatste categorie. Nicole in de een na laatste met warmte-uitslag. 

Wat misschien ook wel aardig is om te vermelden zijn de matrassen hier in Oezbekistan. Ze zien eruit als dikke aangename matrassen maar als je er op gaat zitten, of je drukt er met een hand op, voel je dat er op een diepte van 2 cm een ferme houten plaat zit. Dit is dermate hard dat er over het matras vaak nog (niet altijd) een lap schuim ligt (van dat gele, soms is het schuim ingepakt zoals bij ons de tuinstoelkussens van Hartman). Nicole ligt momenteel op zo’n plankenmatras met een lap schuim. Ik heb haar ook mijn lap schuim (van de Hartman-variant) gegeven zodat ze, liggende op twee stuks schuim, wat zachter ligt. Zelf heb ik mijn opblaasbare matje opgeblazen en onder het laken geschoven. Je moet wat!

Op de grens Oezbekistan-Tadjikistan pakken we de rode lijn op naar Doeshanbe volgen deze tot Osh in Kirgizië

Het lijkt nu alsof ik klaag, maar dat is niet zo. We hebben het heel goed en genieten volop van de reis, van elkaar, van het schrijven en van jullie toffe reacties. Wat ik wél doe is een persoonlijk verlangen uitspreken. Een verlangen naar het stevige klimwerk op hoogtes waar de temperaturen aangenaam zijn om te fietsen en te kamperen (het is bijna zover. Over een kleine 300 km, in Doesjanbe, begint voor ons de Pamir Highway. Op de Pamir bereiken we een maximale top van 4655 meter en de temperatuur neemt zo’n 6 graden per 1000 meter hoogte af, dus reken maar uit waar het aangenaam wordt). Een verlangen naar lekker, gezond en gevarieerd eten (blijft een uitdaging). Een verlangen naar slaapcomfort en een buitengewoon verlangen naar enkele bolletjes schepijs.

En denk erom, Godfried Bomans zei het al: 

“Alle sprookjes hebben dit met elkaar gemeen, dat zij zich bezighouden met het verlangen en niet met de vervulling.”

Translate »