• info@pedalenenverhalen.nl

– Canada 2018

Hoe anders kunnen de dingen lopen?

Onze eerste dag op de fiets is een gedenkwaardige. We waren vroeg op en zaten iets voor zeven op de fiets. Remblokjes even opnieuw gesteld, stuur van Niekie recht gezet en gas op die lolly. Eerste doel van de dag was koffie. Die vonden we redelijk snel bij de firma met de gouden M. Veel alternatieven waren nog gesloten. Mijn koffie (large) gooide ik al voor mijn eerste slok omver. Over het vest van Niekie. Het was nog vroeg. Na de koffie (veel te large) sprongen we vol goede moed en goede zin op onze fietsen. Op weg naar de ferry die ons naar Nanaimo op Vancouver Island moet brengen. Aan de overkant van de Mac reden we Knight Street in, een lange weg die ons in een ruk naar de brug over de Fraser River brengt. We hadden de avond ervoor berekend dat het ongeveer 30 km moest zijn naar de haven waar onze ferry van de dag zal vertrekken. Zo’n twee uurtjes rijden ongeveer.

Dat liep anders.

Na vijfhonderd meter op Knight Street trap ik ineens erg licht. Ik kijk naar mijn voorste tandwiel en zie dat een belangrijk item ontbreekt. De ketting. Ik besloot zo vroeg in de morgen, en om de pret niet bij voorbaat te drukken, een terechte vloek voor me te houden. Rustig ademen en kijken hoe we de situatie de baas worden, dacht ik. De ketting zwabberde in gebroken toestand rond mijn achterste tandwieltjes. Afstappen, fiets op de standaard. Alle tijd voor Niekie om te vragen: “En wat nu?”. We hebben deze situatie al eens eerder aan de hand gehad toen Niekie twee jaar geleden een van de eerste serieuze beklimmingen in de Ardennen energiek aanving. Toen ze merkte dat het verzet iets te zwaar stond schakelde ze terug tijdens de klim. Een ketting vindt dat niet leuk. Met mazzel waren we in de buurt van een fietsenwinkel waar we de ketting konden repareren. Destijds kochten we een extra setje schakeltjes. Die kwamen nu goed van pas. Ze zaten keurig in het zadeltassen dus de ketting kon in vijf minuutjes worden gerepareerd. En zo geschiedde. Terwijl we aan de kant van de straat stonden werden we al aangesproken door een voorbijganger. Hij kon ons niet helpen en wist ons geen fietsenwinkel te wijzen. Even verderop werden we bekeken door een Chinese vrouw. Tijdens mijn poging om mijn handen, zwart van het kettingvet, schoon te poetsen (zand en water) begon ze te wenken. “Sorry, sorry!”, riep ze. Haar wenken vertelde me dat ik bij haar in huis mijn handen kon komen schoonmaken. Ik liep op haar af terwijl ze haar ‘sorry’ inwisselde voor de woorden “Thank you, thank you!”. “Dog, Dog”, herhaalde ze toen ze de poort voor me opende. Een grijze bulldog sprong tegen het hekje en blafte. Gelukkig was de hond lief. “Sorry, sorry”, klonk het weer. Ik zei haar dat alles okay was. De Chinese dame bracht me naar een kraan aan de zijkant van het huis. Ik vroeg haar of ze misschien een beetje zeep voor me had en omdat ik het vermoeden had dat ze het Engels niet machtig was, maakte ik voortdurend handenwasbewegingen. “Oh, Sorry, thank you”, en weg was ze. Toen ze terug om het hoekje verscheen had ze een fles wasverzachter bij zich. Ze goot behulpzaam iets van het paarse goedje in mijn handen. Nu was het mijn beurt om haar te danken. “Thank you, thank you”, zei ik en zag haar kleine instemmende buiginkjes maken. De wasverzachter deed zijn werk. Ik had de kraan nog niet afgesloten of er verscheen een doos tissues onder mijn neus. “Sorry, sorry”, klonk het weer. “Thank you, thank you”, herhaalde ik en begon ook lichte buigingen te maken. Het leek allemaal zo gepast. Nog een vriendelijke aai over de bol van de bulldog en we konden weer op weg.

Toen we eindelijk het einde van Knight Street bereikten, kronkelende we verder richting brug. Na een uurtje fietsen besloten we nog een tros bananen te kopen voordat we de brug overgingen. Na het banaantje kwam ik er op de app Maps.me achter dat de brug geen brug was maar een tunnel. Ik vroeg een meisje van de fruitboerderij of de tunnel goed te doen was met de fiets. Opeens werd het spannend want het meisje had geen idee. We fietsten verder richting tunnel maar werden door de verkeersborden teruggefloten. Verboden voor voertuigen die niet harder konden dan 60 km/h. Nu haal ik dat in een goede afdaling maar dat maakt nog niet dat we tot de categorie plus 60 km/h behoren. Niekie keek me vragend aan: “En wat nu?”. Dat was de tweede keer op dag 1 dat die terechte vraag passeert. Ik beriep me op de app en zag maar een alternatief. Langs de rivier opfietsen richting de volgende brug. “Hebben we toch lekkere banaantjes gescoord”. Daarmee probeerde ik de extra 20 a 30 km die in het verschiet lagen af te doen. Niekie humeur was echter niet stuk te krijgen dus huppekee! Fietsen omkeren en gas op de lolly!

De nieuwe route was niet helemaal duidelijk dus we moesten hier en daar enkele ‘beslissingen op het gevoel’ maken. Die beslissingen maakte ik want de navigatietaak lag grotendeels bij mij. Ik ging bij mijn keuzes uit van het volgende principe: als je alsmaar naast de rivier fietst, kom je vanzelf bij de volgende brug! Waterdicht principe in mijn boekje.

Ook dit liep anders.

We passeerden kinderparadijzen, bioscopen, ijshockeybanen en zwembaden tot we werden vergezeld door steeds meer enorme trucks met zand, hout en andere bouwmaterialen. Ook veel afval, viel me op. Toen we aankwamen bij een weg met een bordje waarop werd aangegeven dat het vervolg van de weg niet helemaal af was en dat derhalve gebruik van die weg geheel op eigen risico verliep, zagen we geen probleem. De rivier stroomde immers nog steeds rechts van ons en er lag voldoende asfalt om onze weg te vervolgen. We fietsen lekker door. Links van ons lieten de trucks hun ladingen los. Het leek een grote stortplaats. In de verte zagen we een muur van zeecontainers opdoemen. Geinig, dacht ik, en maakte er een vrolijke selfie van ons. Iets voorbij de zeecontainers werd de asfaltweg een weg van los zand. “Off the Piste”, schreeuwde ik Nicole toe en zette aan voor het eerste stuk. Niekie volgde behendig. De zandweg was tamelijk lang en lastig. We ploegen ons een weg langs de rivier. De brug zou onze beloning worden. Toen bereikten we een hek. Zo’n hoge. Heras hekwerken-model. De zandweg liep dood. Ik besloot toch maar eens te vloeken. Daarna was het de beurt aan Nicole: “En wat nu?”. Terug. De hele zandweg en het asfaltstuk naast de stortplaats.

Toen dit achter ons lag leek het ons handig om de app een instructie te geven om een fietsroute te maken naar de ferry. Iets wat we veel eerder hadden moeten doen natuurlijk. De app rekende ons voor dat het, van waar we ons bevonden, nog 47 km was naar de ferry. Dat ding leek met het uur verder weg te liggen. De zekerheid van een goede route gaf ons al snel het gevoel dat we weer lekker bezig waren. “Goed voor de kilootjes”, was mijn positieve draai dit keer.

Ik schrijf dit verhaal overigens op de ferry die ons naar Nanaimo brengt dus we zijn uiteindelijk gekomen waar we wilden zijn. We hebben er een slordige 69 km over gedaan. Het is inmiddels half vijf in de middag dus we zijn wat vertraagd. We hebben wel al een camping op Vancouver Island op het oog. Het lijkt niet heel ver fietsen van de boot maar het kan altijd nog anders lopen natuurlijk.

Wordt het ons heet onder de voeten?

Hoe dient onheil zich aan? Zijn er voortekenen?

Geen vuiltje aan de lucht

We hebben er zin in en zijn eigenlijk klaar voor vertrek. De fietsen zijn geprepareerd en nog eens nagelopen. De fietstassen zijn gepakt. Vooralsnog hebben we twee (voor)tassen over en in de overige 6 fietstassen hebben we 28 kg aan spulletjes verdeeld. Daarnaast staat er nog een boodschappentas met noppen- en vershoudfolie klaar om morgen op Schiphol de fietsen mee in te pakken. Moet lukken!

Beren op de weg

Toch hebben de voorbereidingen wat nieuw licht op ons avontuur geworpen. Om een beetje goed beslagen ten ijs te komen, en ter inspiratie, heb ik Beren op de weg van Gijs van Middelkoop gelezen. Een boekje over de fietstocht die Gijs met zijn vriendin maakte door Canada en de Verenigde Staten. Hun avontuur kende het nodige onheil. Zo moesten ze evacueren als gevolg van enorme wateroverlast (dam gebroken, noodtoestand uitgeroepen) en werd Aimee (de vriendin van Gijs) kort na aankomst getroffen door een longembolie. Met alle gevolgen vandien.

RTLnieuws

Van het boekje ben ik niet geschrokken maar nadat ik het gisteren uitgelezen had leek het me een goed idee om eens wat uitgebreider naar de weersomstandigheden in British Columbia te kijken. Dus even iets verder kijken dan de weerapp op mijn smartphone, waarop ik naast Rijnsaterwoude ook netjes de weersverwachting van Vancouver in het oog hou. Het bracht me op de site van de BC Wildfire Service. Een handige site die melding maakt van alle actieve bosbranden in British Columbia. Voor het gemak heb ik er een screenshot van gemaakt.

Zowel de vlammetjes als de bolletjes zijn actieve bosbranden in de regio (waar wij dus gaan fietsen!).

Even later lees ik op de site van RTLnieuws het volgende:

 Bijzonder verschijnsel: lucht kleurt oranje in Canada door honderden bosbranden

Het is een opmerkelijk gezicht. In de Canadese provincie Brits-Columbia is een oranje waas te zien door ruim 500 bosbranden. Zo’n 3000 mensen zijn geëvacueerd.

Ik weet niet goed hoe onheil zich aandient maar het zou zo maar eens kunnen dat zich gisteren enkele voortekenen hebben geopenbaard.

Wordt vervolgd…

Een herinnering aan Canada

Ter voorbereiding op de ‘Canadian Butterfly’, onze fietsreis door Canada, hier vast een herinnering aan een eerder bezoek aan The Great White North.

Canada. Niekie en ik waren er in 2003 en een van de eerste dingen die ik er zag was blinde paniek. Paniek in de ogen van een pompbediende.

Niekie en ik gingen voor het eerst met elkaar op reis (de reis waarbij we elkaar hebben ontmoet tellen we niet mee want toen was ik nog haar reisleider en zij een deelnemer aan een groepsreis door Centraal-Amerika). Vier weken hadden we voor de reis uitgeteld en het thema was ’bonnefooi’. Dat het thema ongelukkig gekozen was merkte we vrijwel direct toen we oog in oog stonden met de Canadese marechaussee. De Canadese marechaussee nam simpelweg geen genoegen met het feit dat twee jonge mensen vanuit Amsterdam naar Canada vlogen zonder te weten wat ze er gingen doen. Los van elkaar werden we naar twee verhoorkamertjes geleid. Wat er in het kamertje bij Niekie werd besproken zal niet veel anders zijn dan in het mijne. Er werden voornamelijk vragen op mij afgevuurd. Wat komen jullie hier doen? Hoe lang blijven jullie? Waar gaan jullie naartoe als je het vliegveld verlaat? Hebben jullie een hotel geboekt? Hebben jullie adressen van mensen die je gaat bezoeken? Enzovoorts.

Behalve de vraag over de duur van ons verblijf moest ik de geüniformeerde man alle antwoorden schuldig blijven. Wat het me daarnaast leerde was dat het woord ’bonnefooi’ geen Engelse vertaling kent, althans niet een die tot mijn vocabulaire en dat van de marechaussee-beambte behoorde. Uiteindelijk namen ze genoegen met onze, voor hen, onbegrijpelijke reisplannen en mochten we het vliegveld verlaten.

Later op de dag hadden we in het hart van Toronto een hostel gevonden en stond Niekie enige tijd, op zoek naar een plek waar ze auto’s verhuurden, te bladeren in de ’Gele gids’ van de stad. ’Ricky’s Yard’ had de klank van een plek waar de prijs van een huurauto overeen kon komen met ons budget. Ricky zelf bevestigde dit enkele minuten later via de telefoon.

We troffen ’Ricky’s Yard’ midden in een woonwijk buiten het centrum van Toronto. Naast het autobedrijf bevond zich een gitaarwinkel met een etalage vol met de allermooiste fender stratocasters en gibson les pauls’ die je je maar kunt bedenken. De huurprijs van een van Ricky’s auto’s, was bij lange na niet voldoende om ook maar de goedkoopste gitaar van zijn buurman aan te schaffen. En dat leek voor ons gunstig.

Hiervan waren we niet meer zo zeker toen we de ’Yard’ van ’Ricky’ betraden. Het bleek een minisloperij met een blauwe zeecontainer die als kantoor dienst deed. Er stonden slechts drie auto’s op de ’Yard’ die enigszins voor rijdende exemplaren door konden gaan. Niekie en ik schonken elkaar een bedenkelijke blik maar de tijd die het ons had gekost om bij ’Ricky’s Yard’ te komen maakte dat we doorzette en na drie ferme kloppen op de containerwand betraden we het kantoor van Ricky Bowen, CEO van ’Ricky’s Yard’. Hij zat druk te telefoneren.

We schudden elkaars handen en maakte kennis. Ricky bleek al snel een ’no-worries-kinda-guy’ te zijn. Zo mochten we zelf kiezen welke auto we de komende vier weken mee wilden nemen. Terwijl hij nog snel een telefoontje pleegde konden wij alvast de drie beschikbare auto’s inspecteren. Sleutels waren, zo zei Ricky, niet nodig bij de inspectie want de deuren waren niet afgesloten. Al snel merkte we bij auto 1 (de mooiste) dat deze ook mét sleuteltjes niet af te sluiten was. Er zat namelijk geen slot in het linker zijportier. Auto 1 viel dus jammerlijk af. Bij auto 2 en auto 3 leek er op het eerste gezicht niets mis te zijn met de sloten maar verder zagen de auto’s er allerbelabberdst uit. Roest en deuken rondom.

We besloten onze keuze te maken op basis van het aanwezige profiel op de banden. Dat leek ons het meest zinvol met het oog op de veiligheid. Auto 3 had wat dat betrof een neuslengte voor op auto 2 die op slicks bleek te staan. Auto 3 moest het dan maar worden. Een Chrysler Neon automaat met werkende radio en airco.

Inmiddels had Ricky zich bij ons gevoegd. We liepen rondom de Chrysler. Ricky opende de motorkap en trapte demonstratief tegen de achterbanden (we werden het eens dat daar nog wel wat lucht bij kon). Hij gaf me de sleutels en vroeg me de auto te starten. Dit lukte probleemloos. Niekie en Ricky checkte de lampen en knipperlichten (alle werkend) toen mijn oog viel op een brandend lampje op het dashboard. ’Check Engine’, stond er in alarmerend rood bij. Toen ik Ricky op deze melding wees vroeg hij me of we zojuist de motorkap hadden geopend. Ik bevestigde dit. Heb jij toen een motor gezien, vroeg hij me vervolgens. Ook dit moest ik bevestigen. Dan konden we de melding op het dashboard verder vergeten, besloot hij.

Ricky was een ’no-worries-kinda-guy’.

Nadat we de papieren hadden ingevuld en getekend, liet Ricky ons nog weten dat we niet hoefden te bellen als we verder dan 500 km van Toronto met de auto zouden stranden. Hij kwam ons dan niet meer helpen. Binnen die straal konden we rekenen op zijn hulp. No worries.

Even later reden we in de Chrysler richting het centrum van Toronto.

Voordat we de volgende dag koers zette richting Niagara Falls, besloten we de tank eerst maar eens goed vol te gooien want we hadden de auto van Ricky meegekregen met nauwelijks een kwart gevulde tank. Een pompstation diende zich vrij snel aan. Het was deels een selfservice pompstation met een klein kassahuisje. In het huisje de enige pompbediende (tevens kassier) in crèmekleurige overall.

We moesten even zoeken naar het pookje waarmee de tankdop van de Chrysler werd vrijgegeven maar al vrij snel stond ik zorgeloos om me heen te kijken terwijl de slang onze tank vulde met brandstof. Ik bukte even licht en gaf Niekie, die in de auto het volume van de radio opschroefde (The Ataris met ’The Boys of Summer’), een ’thumbs up’. Misschien kwam het door de huurauto van Ricky, maar ik werd me bewust dat ik hier, bij dit kleine pompstation in het verre Canada, ook een beetje stond te tanken als een ’no-worries-kinda-guy’.

De pomp was er zo een met een belletje. Om de zoveel liter tingelde de bel en ik volgde de liters die in de tank van de Chrysler verdwenen derhalve met oor en oog. Na enige tijd verplaatste mijn focus zich van de teller op de pomp naar het kassahuisje schuin achter de pomp. De pompbediende maakte zwaaiende bewegingen in mijn richting. Nog niet ingeburgerd in de sociale omgangsvormen van de Canadezen, was ik blij verrast en zwaaide terug. Pas bij het terugzwaaien zag ik de paniek in de ogen van de pompbediende. Hij snelde zich inmiddels het kassahuisje uit met een goedgevulde, en zichtbaar zware, jute zak om zijn linkerschouder geslagen. Deze zware zak, die in kleur gelijk was aan zijn overall, bezorgde hem een atypisch loopje waarmee hij serieus hoge ogen zou hebben gegooid bij een auditie voor de rol van Quasimodo. Met zijn vrije hand bleef hij tegelijkertijd zwaaien.

Terwijl de pompbel ritmisch de getankte liters bleef aangeven en ik me afvroeg wat er zich in godsnaam voor mijn ogen aan het afspelen was begon ik gewaar te worden wat de pompbediende me toeriep. Het ene woord dat hij maar bleef herhalen in een tempo dat vele malen hoger lag dan de liters waarmee de pomp de Chrysler vulde, was ’STOP!’.

Toen ik me eindelijk realiseerde dat een en ander met mij te maken had gaf ik gehoor aan zijn oproep en ontspande mijn greep op het vulpistool. Zoekend naar een oorzaak voor de paniek van de pompbediende draaide ik me naar de Chrysler en speurde naar enig onheil. En toen viel alles op z’n plaats. De paniek in de ogen van de pompbediende, de jute zak over zijn schouders en de inmiddels toch wel zeer lange tankbeurt waarmee ik bezig was.

Achter de Chrysler had zich namelijk een meterslang spoor gevormd. Noem het een stroom. Een stroom benzine die zich vanuit de tank van de Chrysler als een kronkelende slang verspreidde over het wegdek van het pompstation en verder.

In de benzinetank van de Chrysler zat een enorm gat. Na ongeveer driekwart vullen stroomde de benzine hierdoor rechtstreeks het wegdek op. Ik stond dus al enkele minuten het wegdek te besproeien met benzine.

De pompbediende was inmiddels als een razende de stroom benzine aan het bedekken met handenvol zand uit de jute zak. Ook Niekie en ik strooide ons inmiddels suf om zo een eventuele ramp te voorkomen.

Een ’no-worries-kinda-guy’ zou na dit alles hebben gezegd: ‘zand erover’, maar daarmee doet hij tekort aan de paniek in de ogen van de pompbediende. Ik heb de pompbediende dan ook uit het diepst van mijn hart bedankt voor zijn oplettendheid en hem mijn oprechte verontschuldigingen aangeboden.

 

123
Translate »