• info@pedalenenverhalen.nl

– Blog

Met Pula is iets geks aan de hand

Toen we gisteren na een lange, warme en uitputtende rit Pula binnenreden, zag ik in mijn linkerooghoek het enorme amfitheater, in mijn rechter de haven. Wetende dat we nog twee dagen in Pula zouden doorbrengen, hielden we koers naar ons tijdelijke verblijf buiten het centrum van de stad. Bovendien staat het amfitheater er al ruim 2000 jaar dus kunnen we erop gokken dat het er morgen ook nog staat. 

Amfitheater Pula

En dat bleek inderdaad het geval. Weliswaar stonden er hier en daar steigers tegen het immense theater waarvan ik niet weet of die er de dag ervoor, in het voorbijgaan, ook al stonden. Ook waren er links en rechts wat stutbalken geplaatst dus wie weet heeft het er nog om gespannen. We waren in ieder geval op tijd voor een foto of twee, drie.

Ik fiets in Pula sinds lange tijd weer zonder fietstassen, en dat is wennen. Het lijkt wel alsof mijn fiets zich bevrijd voelt van zijn zware last en daarbij een vrolijke nieuwsgierigheid aan de dag is gaan leggen. Hij beweegt zijn stuur opvallend losjes, en naar het lijkt willekeurig, van links naar rechts. Alsof ie mij als bestuurder niet langer dient en zijn ogen eens even flink de kost wil geven in deze oude stad. Als een dartel veulen.

Ik weet niet of het mijn fiets is opgevallen, maar er is iets geks aan de hand met Pula. Toen ik Nicole erop wees vond ze het ook gek maar dacht dat de meeste mensen nooit zouden merken dat het aan de hand was. Het viel mij op toen we op het rustige Dante-plein tegenover een basisschool, in het zonnetje, aan een cappuccino zaten. Links van de school staat een katholieke kerk en rechts ervan een restaurant met de naam Alighieri. Dante’s La Divina Comedia op de drempel van een basisschool. Alsof de kinderen een levenskeuze voorgehouden wordt; sla je linksaf (inferno) of sla je rechtsaf (paradiso)? Maar dit terzijde.

Het Dante plein. Links van de fontein de school. Rechts restaurant Alighieri.

Nee, het gekke met Pula is iets heel anders. Het is onzichtbaar, zelfs voor het scherpste oog. 

Je kunt het alleen horen. Als je luistert.

Wat je hoort is namelijk heel iets anders dan wat je ziet. Wat je ziet zijn kinderen die tijdens een korte pauze een broodje eten of een sigaret roken, een man die al heel vroeg aan z’n eerste biertje van de dag zit. Meeuwen bij de fontein en hier en daar een verdwaalde duif met één gezond pootje en één stompje. Maar wat je hóórt zijn kaketoes, ara’s en nog zowat van dat exotische pluimage. Ik hoefde mijn ogen maar te sluiten en ik waande me weer bij ons kleine huisje aan Playa Chiquita in Costa Rica! 

Dit klopte van geen kant en na even speuren merkte ik de kleine luidspreker op waaruit de fraaie dierengeluiden klonken. Nadat ik Nicole op dit vreemde fenomeen had gewezen was voor mij de kous af. Ik ging ervan uit dat een grensverleggende horecaondernemer aan het plein verantwoordelijk was voor dit sfeerverhogende initiatief dat ongetwijfeld zou leiden tot een verhoogde mate van consumeren.

Niets was minder waar!

Toen we even later, met onze fietsen aan de hand, de verkenning van Pula’s binnenstad voortzetten, vlogen de uitheemse vogels ons opnieuw om de kop. De kleine luidsprekertjes waren snel gevonden. Daar ging mijn theorie van de grensverleggende horecaondernemer aan het plein!

Een dartel veulentje bij een stadspoort van Pula

Dan blijven er wat mij betreft nog twee opties over. Namelijk: het is kunst, of het is een poging van het stadsbestuur om ‘een stukje natuurbeleving’ de stad in te brengen. Dat laatste lijkt me helemaal van deze tijd en met twee dartele veulentjes aan de hand dragen we er maar wat graag ons steentje aan bij!

Proeven van Istrië

Hier bij café Epoca staat de zon netjes voor de deur te wachten. Hij wil erin, net als ik, maar waar de zon de toegang wordt geweigerd, mag ik naar binnen en bestel een cappuccino. Ik ben alleen in het grote café op de hoek van de Obala Maršala Tita en de Eugena Kumičića, twee straatnamen die klinken als rinkelend losgeld waarvan ik de waarde niet ken. Het terras is gevuld met mensen die de kant van de zon hebben gekozen.

De zomer likt alvast wat aan het schiereiland. Het wil even proeven van Istrië zoals het werkelijk is. Het pure, zonder de mierzoete, en snel overheersende, smaak van het toerisme, want dat moet hier nog op gang komen. Er liggen een paar luxe jachten lui tegen de steigers van het casino, maar dat telt niet. Istrië is nog even van de Istriërs. En van de zon dus.

We zijn in Poreč, Kroatië. De Italianen noemen het Parenzo waardoor de stad meteen begint te huppelen. Ooit behoorde deze prachtige stad toe aan de Romeinen. Toen was het de beurt aan de Byzantijnen die hier een bisschop achterlieten. Daarna werd er gekozen voor Venetiaans bestuur, wat weer een doorn in het oog van de Genuezen was, met alle gevolgen van dien.

Het is hier altijd blijven rommelen maar nu zijn de toeristen hier de baas. De toeristen lijken alles te overwinnen en zijn hard op weg naar wereldheerschappij. Wat het fascisme of het nationaalsocialisme kwaadschiks nooit lukte, lijkt het toerisme zonder probleem voor elkaar te krijgen. Het is een paard van Troje die met man en macht naar binnen wordt gesleept. Waar zijn de verdedigingslinies opgeworpen? Waar staan ze nog overeind? 

De tsunami aan toeristen is niet meer te stoppen. Westerse toeristen koloniseren al jaren zeer effectief, en voeg daar de nóg efficiëntere neotoeristen uit Azië aan toe, en ook het laatste stukje ongerepte aarde wordt een casino. Hier in Poreč zijn er maar liefst vier (op een bevolking van 12000).

Wijzelf fietsen nu als vooruitgestuurde representanten van het Westerse toerisme naar Bali. Links en rechts zien we hoe de vlag erbij hangt en natuurlijk hangt die vlag halfstok. Streken die vroeger een zichzelf bedruipende bedrijvigheid kende, zoals hier in Poreč ooit de scheepsbouw het tempo bepaalde, zijn vandaag de dag overgeleverd aan de seizoenen van het toerisme. De ene helft van het jaar kent de stad een hopeloos eenzaam en leeg bestaan, de andere helft van het jaar voegt het zich slaafs naar de duizenden bezoekers die er hun gerief komen halen.

Nu, zo tegen het einde van maart, is het eigenlijk de mooiste tijd van het jaar hier in Poreč. Je ziet iedereen bewegen in het ritme dat precies past bij deze fraaie kustplaats. Niet het hebberige ritme van het hoogseizoen of het landerige van het laagseizoen. Iedereen staat op ‘en gaat weer eens wat doen!’. Alles kan nog even ‘voor de drukte uit’. Er is tijd voor een praatje, er kan nog gewacht worden want er is nu meer dan genoeg adem voor iedereen. Het hart klopt nu in zijn natuurlijke ritme.

Voor ons het juiste moment en de juiste plaats voor een rustdag.

Op de vlucht

Als we op woensdag Salzburg binnen rijden weten we dat we het de komende dagen makkelijk gaan krijgen. We volgen namelijk vanaf hier de Alpe Adria Radweg. Lekker de bordjes volgen dus. De fietsroute loopt van Salzburg naar Grado. We besluiten om er een deel van te fietsen. Van Salzburg naar Böckstein gaat het behoorlijk berg op. Vooral het stuk bij Lend en het laatste stuk in Bad Gastein zijn heel erg pittig. We hebben soms het gevoel dat de fietsen steigeren, maar gelukkig weigeren onze benen niet en redden we het boven te komen. We krijgen onderweg regelmatig te horen dat we de eerste fietsers zijn op de route. We krijgen duimen als goedkeuring voor het fietsen in de regen en de sneeuw. En men is verbaasd dat we met dit weer kamperen. Zo af en toe pakken we een hotelletje of Warmshowers voor wat comfort. 

De start was winters

We hebben in Tricesimo in Italië een Warmshowers geregeld bij Lorenzo. Als we in Villach zijn berichten we hem dat we denken dat we er over 2 dagen zijn. Volgens Lorenzo kan het in 1 dag, want na Tarvisio gaan het alleen nog maar bergaf. Hij laat weten dat het hem niks uitmaakt of we dinsdag of woensdag komen en ook niet hoe laat. De Alpe Adria route is prachtig, maar na Tarvisio is het schitterend. We fietsen over oude spoorlijnen die nu geasfalteerd zijn langs vervallen stationnetjes. Door tunneltjes die soms wel en soms niet zijn verlicht. En langs prachtige watervallen. 

Bergafwaarts over de oude spoorlijn

We hebben aardig de vaart erin en denken zelf ook dat het mogelijk moet zijn om nog diezelfde dag bij Lorenzo te overnachten. Hij heeft ons gevraagd of we pizza of pasta willen eten. Wanneer we zelf koken is pasta makkelijk te bereiden, dus kiezen we voor pizza. 

De dag ervoor heeft het tijdens onze fietstocht naar Villach gesneeuwd. Daardoor zijn sommige stukken van de route onbegaanbaar en moeten we soms terug om een andere route te volgen. De komende dagen wordt het prachtig weer, maar deze dag is het nog best fris. Naarmate het einde van de middag nadert begint het al behoorlijk af te koelen, Tricesimo ligt volgens mijn app aan de Alpe Adri Radweg, maar als we er bijna denken te zijn blijkt dat we een compleet ander pad gevolgd zijn. Volgens de bordjes zitten we op het juiste spoor, maar volgens mijn app niet. Het is 19:00 uur en we hebben 113 km gefietst. Ik ben er klaar mee. Ik snak naar die pizza maar kan het niet opbrengen nog eens 20 km in de het donker te fietsen over een onverharde weg vol kuilen. 

We zijn gestopt bij een groot stuk land en besluiten om daar te gaan wildkamperen. De vorige keer ging dat prima, dus waarom nu niet. Toen hadden we de tactiek om bij schemer eerst te koken en te kijken of er iemand langs zou komen. Nu is het echter al donker dus besluiten we om eerst de tent op te zetten. We lopen een flink eind het grasland in en besluiten bij een bomenrij de tent op te zetten.

Dan vliegt er plots een helikopter akelig laag over. Hij zwaait met een schijnwerper. Dennis grapt dat ze naar ons op zoek zijn. We hebben net de tent uit de tas als ik wat hoor rennen langs het water, tegenover onze bomenrij. Ik volg het geluid, maar kan niet zien wat het is. Volgens Dennis is het gewoon een beest. Dan moet het een heel groot beest zijn. Er vliegt een tweede helikopter over. Deze heeft geen schijnwerper maar rood licht. De eerste vliegt ook nog steeds in kleine rondjes om ons heen. Dennis denkt hardop: ”Misschien wordt er iemand gezocht?”. Weer horen we het geluid. Het is alsof er iemand achter de struiken bij het watertje rent.

We staan aan de grond genageld.

Plotseling horen we een auto over het fietspad waar wij vandaan zijn komen fietsen. Het is een klein autootje. Misschien een Smart. We horen een duidelijke mannenstem die de auto tot stoppen maant. Het portier van de auto gaat open en sluit snel weer. De auto rijdt verder. 

Is er iemand op de vlucht? Staan we de tent soms in de buurt van een gevangenis op te zetten? 

Ik ben er helemaal klaar mee. Stop de tent in de tas en we lopen vlug terug naar het pad waar we vandaan kwamen. Die 20 km extra naar Lorenzo en zijn pizza, lijken ineens een stuk aantrekkelijker. 

Als kerstbomen volgehangen met verlichting vervolgen we onze weg naar Warmshower-Lorenzo. 

Wat ben ik blij als we daar om 21:00 uur dan eindelijk zijn.

Lorenzo op z’n best

Vol enthousiasme worden we begroet. Ons bedje staat klaar en het deeg voor de pizza’s ligt op ons te wachten. Na een warme douche geeft Lorenzo ons een workshop pizza maken. Lorenzo is een kruising tussen Bart Chabot en Dolf Jansen. Hij heeft zoveel energie dat hij 3 keer zo snel praat als dat wij doen. Hij heeft zoveel energie en zoveel te vertellen dat ik meteen uit mijn energie-dip ben. Om 22:30 uur eten we heerlijke pizza’s en om 23:30 uur rollen we moe maar voldaan ons bed in. Ik mag niet helpen opruimen, maar vraag me af wat hij aan het doen is in de keuken. Het lijkt op een verbouwing zoveel kabaal maakt hij. Tijdens zijn verhalen ging hij, wanneer hij enthousiast werd, steeds harder praten. Wellicht vindt hij afwassen ook fantastisch. 

Lorenzo fiets een stukje met ons mee richting Cividale

Monaco in de Bergen

We rijden Bad Gastein op. Zo moet je het zeggen want het stijgingspercentage naar dit in verval geraakte kuuroord is gigantisch. Ik heb halverwege de klim het hart op de tong. Letterlijk, want mijn hartslag bevindt zich in het dieprood en klimt met me mee tot het mijn wijd openstaande mond bereikt en zich via mijn tong een weg naar buiten spuugt. Ik moet om de 30 omwentelingen stoppen om mijn hartslag terug te brengen naar de plek waar het hoort. Nicole gaat het steile klimmen beter af.

Wanneer we het oude centrum richting de imposante waterval binnen kruipen, zie ik een Oost-Europees ogende vrouw met haar mobiele telefoon foto’s maken door het vuile raam van een leegstaand hotel. Ze wijst naar binnen en dwingt haar man te komen kijken naar alles wat ze aanwijst. Kurhotel Mirabell staat er op de gevel. Terwijl de man naar het vuile raam loopt, moet ik denken aan het programma ‘Ik Vertrek’ en bezie het stel nu als deelnemers aan pakweg de Tsjechische versie van dat programm (Odcházím). Dat worden lange draaidagen want aan dat Kurhotel zullen ze een flinke klus hebben. 

Ik kijk hijgend naar de waterval net voorbij het Kurhotel Mirabell en buig af naar rechts. 

Fietste ik hier eind negentiende eeuw naar boven, dan zou ik na deze bocht aan het zuurstof moeten. Dan was ik het adembenemende Bad Gastein binnen gefietst op het (letterlijke) hoogtepunt van de Belle Époque. Dan had ik mijn fiets op het plein voor Hotel Straubinger geparkeerd en was ademloos gaan zitten kijken naar de ‘beau monde’ van het ‘fin de siècle’. Keizer Wilhelm I had ik hier zomaar aan kunnen treffen, of zijn kanselier Otto von Bismarck die we onderweg zoveel zijn tegengekomen in allerlei statige standen van steen. Of wat dacht je van Sisi, de keizerin van Oostenrijk? Ze waren hier destijds veelvuldig om het nuttige (staatszaken) met het aangename (kuren) te combineren. Zo werden grote en kleine kwalen gelijktijdig onder handen genomen.

Het eens zo statige Hotel Straubinger

Alle groten der aarde kwamen hier destijds in het ‘Monaco in de bergen’. Nu zie je er, behalve twee Oost-Europese gelukzoekers, geen hond meer. De begane grond van Hotel Straubinger, ooit het grootste en statigste hotel van Bad Gastein, is rondom dichtgetimmerd. De grandeur van welleer zie je alleen nog als je je ogen toeknijpt en door je oogwimpers naar het hotel kijkt. 

Het doet een beetje pijn. 

Vergane glorie roept bij mij altijd een verlangen op om de dingen nog eens te beleven zoals ze ooit waren. Nog één keer wil ik de piccolo met de in gouddraad opgesierde letters H en S op de linkerborst aan het werk zien met de valies van hooggeplaatste gasten. Ik zou willen zien hoe het banket werd klaargemaakt, hoe het menu van de dag handgeschreven en -gevouwen zijn plek heeft op een weelderig gedekte tafel en hoe de gasten hun plaats aan de tafel werd aangewezen. Ik wil horen hoe er wordt geconverseerd, gekonkeld en gekoketteerd.

Maar ik hoor en zie niets.

Dan zie ik de schuin uitgesleten natuurstenen drempel van het hotel. Dichterbij het verleden kan ik niet komen omdat de gehele gevel is afgeschermd met ijzeren hekken. Ik schuif het hek bij de entree zover ik kan richting de natuurstenen drempel. De stilte maakt plaats voor een, onverwachts hard, schrapend geluid. Als het hek de drempel bijna raakt steek ik mijn voet door de ijzeren mazen en zet een stap op de drempel van het oude hotel en treed zo in de voetsporen van Keizer Wilhelm I, Johann Strauss, Sisi, William Somerset Maugham, Otto von Bismarck en vele anderen, maar vooral toch in die van de piccolo. 

En wie zou hier niet nog graag eens een kaartje willen leggen?

Mijn beelden van grandeur en vergankelijkheid mengen zich naar het ‘Grand Hotel Europa’ van Ilja Leonard Pfeijffer. In het boek gaat de schrijver naar een in verval geraakt hotel ergens in Europa waar hij zijn stukgelopen relatie, en nog veel meer, tegen het licht houdt. Ik las het een paar weken voor ons vertrek maar merk dat de beelden die mijn eigen verbeelding bij de woorden van Pfeijffer produceerden hier pas hun definitieve vorm krijgen. Hotel Straubinger ís voor mij Grand Hotel Europa maar waar het hotel in de roman door een Chinese investeerder gereanimeerd wordt om de gretige Aziatische toerist te lokken, verliest Hotel Straubinger hier in Bad Gastein langzaam maar zeker de strijd tegen de elementen.

Helaas staan Hotel Straubinger en Kurhotel Mirabell symbool voor het Bad Gastein van nu want ook Haus Austria, het Kongresshaus, het Badeschloss en het oude Postamt, stuk voor stuk monumentale bouwwerken, staan er leeg en vervallen bij.

Alleen voor fietsers is Bad Gastein nog altijd adembenemend.

Hier, in de keuken van het hotel, werden ooit de heerlijkste sterren-gerechten klaargemaakt
Translate »