• info@pedalenenverhalen.nl

– Blog

Een paar losse eindjes

In Albanië zag ik mannen ruzie maken tijdens een kaartspel. Er was geld bij gemoeid. De benige man die zich verdedigde stond als enige rechtop. Hij maakte zich groter dan de anderen maar de anderen waren met meer en, nog belangrijker, ze waren eensgezind. Hij moest betalen. Zijn laatste wapenfeiten bestonden uit stemverheffingen en wegwerpgebaren maar dat deze krachteloos waren bleek aan de portemonnee die hij al had getrokken. Zijn speelkameraden lieten de man zijn waardigheid tonen maar deden ondertussen een greep uit zijn gesleten lederen knip. De verliezer liet ze begaan en verliet verongelijkt de speeltafel. 

Albanië kent vele speeltafels als deze. De lege mannenuren worden gevuld met kaarten, schaken of domino. De mannen van weinig woorden en vele gedachten spelen schaak en worden vaak omringd door meedenkers. 

De dominospelers zitten wat afzijdig in tweetallen. De stenen worden een voor een hard en met grote armbewegingen op tafel geslagen want hoewel er niemand kijkt, mag ook hun strijd niet onopgemerkt blijven. 

De kaarters hebben de meeste praatjes, zij kaarten met woorden. Wat zou ik graag onderdeel uitmaken van zo’n tafel. Niet als speler maar als omstander. Die nemen net zo goed deel aan het spel want het gaat niet om de kaarten. Het verhaal rond de tafel, de opwinding, daarin zit het grote spel. Van de vreemde woorden begrijp ik niets, die sluiten mij buiten, maar als buitenstaander kan ik gissen naar het spelverloop. Woede, leedvermaak, pesterijtjes en het voldaan zwijgen bij het hebben van een goede hand. Je leest het allemaal in de levendige kluwen rond en aan de speeltafel.

In Bosnië en Herzegovina sta ik langs de kant van de weg. Regen, mist en een stijgingspercentage van 10% houden me niet tegen, maar een lekke achterband wel. Met de fiets al op de kop laat ik, via sms, de eigenaar van ons verblijf van die avond weten dat we vertraagd zijn door een pechgeval. We zijn dan nog 5 kilometer verwijdert van onze bestemming. Niet veel later stopt er een auto langs de kant van de weg. Het is Branko, de eigenaar van het door ons geboekte hotel, die direct na het ontvangen van mijn sms de auto is ingestapt om ons van de berg op te pikken. Ik leg de fiets en de tassen in de achterbak van de auto en rijd met Branko de laatste 5 kilometer naar het eenzame hotel. Nicole fietst achter ons aan, omringd door nevel.

In de auto zeg ik Branko hoe gelukkig ik ben met zijn komst omdat het buitengewoon lastig is een band te repareren als het zo nat is. Bij het woord ‘lucky’ slaat Branko aan en zegt: “Hier in Bosnië en Herzegovina hebben we alles. We hebben huizen, eten, liefde en gezondheid, maar geluk hebben we hier niet.”

In Griekenland komt ons een overhaast geschoren Zwitser tegemoet. Uit zijn neus grijze haren en op zijn kin en bovenlip ook hier en daar een plukje van dat spul. Hij rijdt elektrisch maar dat zie je haast niet want de fiets hangt van boven tot onder vol met flarden bagage, waaronder een washandje die met een knijper aan de remkabel hangt en een haarborstel die met klittenband aan zijn frame is bevestigd. 

We delen ervaringen en tips. 

Hij heeft oog voor mijn bamboe ‘hondenstok’ op mijn bagagedrager. Ik heb oog voor zijn ‘hondenstok’ aan de horizontale stang van zijn fiets. En zo komen we te spreken over de gevaren van het reizen met fiets en tent. Zo heeft de Zwitser zijn geld verspreid in drie verschillende tassen voor het geval hij overvallen wordt. “Willen ze je geld dan geef je het geld uit één tas en hoopt dat ze daar genoegen mee nemen”, zo klinkt zijn uitleg. Ook huivert hij voor het overnachten op stranden. “Het strand is nou eenmaal een plek van begeerte”, zegt hij. 

We nemen afscheid met de constatering dat we beiden, behoudens de honden, geen enkel ander gevaar hebben hoeven trotseren, en dat we tegen de valse honden inmiddels passende maatregelen hebben getroffen. 

Als we wegfietsen, zwaaien we met onze hondenstokken alsof we ten strijde trekken. De een richting het noorden, en wij richting het zuiden.

In Duitsland, op de winterdijk langs de rijn, las ik een bordje: 

HÖRERLEBNIS

De laatste lijn – de bandijk

Hoe een hoge bandijk ook hoge waterstanden kan veroorzaken, dat verneemt u als u belt naar het nummer

+49 (0)2851 97999 – 448

(De luisterbijdrage duurt ca. 2 minuten)

Hond aan de tas

Op maandag 15 april gaan we de grens over bij Hani i Hotit en fietsen Albanië binnen. Een voor ons onbekend land, dus we hebben geen idee wat te verwachten. 

We fietsen richting Shkodër en besluiten niet te gaan kamperen op de camping die we onderweg tegenkomen. In plaats daarvan boeken we een appartement voor 10 euro. De camping is net zo duur dus de keuze is snel gemaakt. Net voor Shkodër komen we ineens lokalen tegen op de fiets. De meeste fietsers zijn mannen, waarbij het zadel steevast veel te laag staat, gekleed in een pak waarvan ik denk dat die 30 jaar geleden in Nederland werden gedragen. Het verrast me dat ik ineens mensen van hier op de fiets zie. Ik word er enthousiast van dat we niet meer de enige fietsers zijn en begin enthousiast te bellen en gedag te zeggen. De meeste reageren enthousiast terug. 

Als we in Shkodër aankomen lijkt het alsof we in een heel ander land terecht zijn gekomen. Het is druk op straat en het ruikt er naar wierook. Ik moet denken aan Caïro, waar ik 20 jaar geleden het vliegtuig uitstapte en ineens in een andere wereld terecht kwam. Het geeft me ook het gevoel alsof ik ineens wat dichter bij die loempia terecht kom. 

Het appartement is het geld meer dan waard. Ik kan er zelfs een wasje draaien en we slapen in een prima bed. Lekker na een paar nachten in de tent. We kijken ’s avonds op de kaart hoe we onze route zullen vervolgen. We willen zo min mogelijk plannen, maar zullen bij Tirana, zo’n 90 km verderop, een besluit moeten nemen of we naar Athene fietsen en daar de boot pakken naar Turkije of via Thessaloniki over land naar Turkije gaan. Het maakt ons beiden niet uit en de reden om voor het één of het ander te kiezen is nergens op gebaseerd. We besluiten om ons in Tirana nogmaals te beraden.

De volgende morgen gaan we met schone kleding op pad. We hebben de wind in de rug en de weg is vlak, waardoor het tempo veel hoger is dan de afgelopen dagen. Misschien maar goed ook, want de weg is niet bepaald prettig. Het is druk en het verkeer rijdt aardig door. Ineens worden we gepasseerd door een busje met Nederlands kenteken. Ik begin enthousiast te zwaaien. Even verderop stopt het busje en Dennis besluit voor de grap op het raam te kloppen, en te vragen of hij misschien ergens mee kan helpen. De bestuurder kijkt even verbaasd door zijn halfopen zijraam, en antwoord gevat dat hij en zijn vrouw een kopje koffie gaan drinken in het restaurant voor ons, en als we zin hebben kunnen we gerust aanschuiven. Dat doen we en zo zitten we een uurtje te kletsen met Eric en Regina. Zij zijn met de camper op pad en onderweg naar Lefkas waar ze een huisje hebben. We worden zelfs uitgenodigd om bij hun langs te komen. Ze verblijven er het komende half jaar dus we hebben alle tijd om ernaartoe te fietsen. We wisselen telefoonnummers uit en gaan ieder onze weg. Voor vertrek hebben we gezegd dat we overal ja op zouden zeggen, maar toch overvalt me deze gastvrijheid. Zo’n aanbod had ik nooit verwacht van mensen die we niet langer dan een uur kennen. We besluiten om op de uitnodiging in te gaan. De keuze of we via de kust van Albanië naar Athene fietsen en daar de boot pakken of over land naar Turkije fietsen lijkt hierdoor ineens voor ons gemaakt. Wat kan het leven toch simpel zijn. 

Even later staan we plotseling op de snelweg en wijst het grote verkeersbord ons erop dat we daar niet mogen fietsen. Dennis vindt dat we dat moeten negeren, maar ik heb onderweg zoveel politie gezien dat ik het niet aandurf. Dan maar wat extra kilometers. We hebben tenslotte wind mee. 

Als we na ons “ommetje” van 15 km bijna weer bij de grote weg zijn, komt er ineens vanuit het niets een hond uit de berm. Hij rent mee, blaft en hapt naar Dennis z’n benen. Dennis geeft een brul waar de hond van schrikt en richt zijn aandacht op mij. Ik ga op mijn pedalen staan om me groot te maken en hem af te schrikken, maar dat helpt niet. En daardoor kan ik ook niet trappen en mijn eerste impuls is toch zo hard mogelijk doorfietsten. Als ik dat doe voel ik weerstand en hangt hij in een van mijn achtertassen. Er rijdt een auto achter me en ergens hoop ik dat hij die hond van mijn tas kan rijden. Hoe weet ik ook niet. Dan laat de hond los en is hij net zo snel weer verdwenen als hij is verschenen.

We komen met kleerscheuren bij de grote weg aan. Ik moet even afstappen en sta te trillen op mijn benen. Ik dacht echt dat hij in m’n been zou gaan hangen. Geen fijne gedachte. 

Wanneer we de volgende dag aan het klimmen zijn herhaald zich de hondenaanval. Ditmaal zijn de honden met z’n drieën en fiets ik voorop en geef ik de brul. Nu hangt de brutaalste bij Dennis in de achtertas. Ik ben nog nooit zo hard een berg op gefietst! 

In mijn tas zit een gaatje van een tand, maar gelukkig heeft de tas van Dennis geen schade opgelopen. Sinds de twee aanvallen fietst Dennis met een bamboestok (licht maar hard) achterop die hij bij nood kan pakken, maar gelukkig is het tot nu toe niet nodig geweest en zijn de meeste straathonden gewoon heel zielig en zou ik ze allemaal het liefste mee willen nemen. 

Vanaf zo’n 1000 km na vertrek uit Nederland hoor ik af en toe een tik in mijn fiets tijdens het afdalen als ik de trappers stilhoud. Als ik trap hoor ik niets. Het is er dan weer wel dan weer niet. En zolang het niet te erg is en het snel weer weg is, is er volgens ons niks aan de hand. 

Na de forse klim, met de hondenaanval, komt er een mooie afdaling. Ik denk dat ze me in het dal aan hebben horen komen. Zo hard begon mijn fiets te tikken. Volgens Dennis kwam het uit mijn achteras en als de tent die avond staat, haalt Dennis het achterwiel uit mijn fiets en alles wat er los gemaakt kan worden gaat los, uit elkaar, en wordt schoongemaakt. Ik hoop dat als alles straks weer in elkaar zit hij geen onderdelen overhoudt. Ik twijfel niet aan Dennis, maar het zou mij gebeuren dat ik niet meer weet wat waar hoort. 

Het viel niet mee om de as los te draaien. Of dit zo hoorde was de vraag, maar bij het in elkaar zetten werd dit toch maar weer aangedraaid. Toen het achterwiel er weer inzat rolde deze niet helemaal lekker door, maar alles zat weer op z’n plek en we waren toe aan een douche. 

We hadden onze tent opgezet achter een bar en konden gebruik maken van de douche in de tuin. Die bestond uit een klein straaltje warm water bij een hurktoilet. Je kon dus douchen en plassen tegelijk. Best efficiënt. 

De volgende dag gingen we op pad richting Tirana en na zo’n vijf kilometer had ik het gevoel dat ik afgeremd werd. Ik wist natuurlijk dat mijn achterwiel niet zo lekker rolde dus het zou wel tussen mijn oren zitten. Na twintig kilometer begon ie toch weer een raar geluid te maken en zette Dennis de fiets opnieuw op z’n kop. Mijn achterwiel rolde in plaats van beter (wat we hoopten), juist slechter dus de achteras werd weer uit elkaar gehaald en weer in elkaar gezet op een manier dat hij weer lekker rolde. Helaas duurde de oplossing weer twintig kilometer. Weer de boel uit elkaar, ik weet inmiddels welk gereedschap welke naam heeft en wat er nodig is, en alles weer in elkaar (alle moeren werden steeds iets losser aangedraaid dan de keer ervoor). Vanaf die laatste keer rol ik lekker en heb ik tot dusver geen enkele tik meer gehoord. 

Berat

Na Tirana bezoeken we Berat en fietsen vanaf daar richting de kust naar het zuiden van Albanië richting Lefkas. We hebben Eric en Regina laten weten dat we naar Lefkas komen maar wanneer we er precies zullen zijn weten we nog niet. We hebben geen haast. Zoals zij ons al vertelden is het zuiden van Albanië erg mooi. De mensen zijn erg vriendelijk en gastvrij. Automobilisten toeteren, zwaaien en steken hun duim omhoog als ze ons passeren. 

‘The boys from Berat’

Als we onderweg zijn richting Vlorë komen we de eerste vakantiefietsers tegen. Het zijn twee fransozen. Zij zijn begonnen in Patras en fietsen richting Frankrijk. Zij zijn die dag laat begonnen, werden pas om 11:00 uur wakker. Later zal ik begrijpen waar ze zo moe van waren. De volgende dag hebben we namelijk een zware klim voor de boeg. We mogen naar 1060 meter hoogte met een pittige wind tegen.

Nicole Von Trapp

We fietsen die dag 41 km en besluiten op het hoogste punt van de berg, in de tuin van een restaurant te kamperen. Het lijkt steeds harder te gaan waaien dus zetten we eerst de tent op en gaan dan douchen en eten. We zijn een geoliede machine en hebben ieder zo onze eigen taak. Als de tent staat, zit ik in de tent en pak de fietstassen aan. Als ik één van mijn voortassen naast mijn matje zet hoor ik een sissend geluid. We horen mijn matje leeglopen. Nee, nee…hoe kan dit? Ik kijk Dennis vragend aan en begin te huilen. Ik ben moe en baal als een stekker. Wat heb ik gedaan waardoor ik dat matje lek prik? In Kroatië bij het opmaken van de kuna’s (Kroatische munt) heeft Dennis een broodmes gekocht. Die heb ik bij de kookspullen in mijn voortas gestopt, maar hij is zo scherp dat hij tijdens het fietsen door het canvas van de tas is gesneden en nu dus ook door mijn slaapmatje. Ik weet het even niet meer. Twee tassen met een gat (hond en mes) en een lek matje. Dennis stelt voor om eerst te gaan douchen (weer een douche met hurktoilet) en daarna in het restaurant het matje te plakken. Het blijkt niet een gaatje te zijn, maar een snee van ongeveer 1 cm. Ik vraag me af of dit goedkomt en of we die nacht samen op één matje lepeltje-lepeltje liggen of op twee matjes. Dennis gaat in het restaurant aan de slag met mijn luchtbed en zorgt ervoor dat ik die nacht gewoon op mijn eigen matje lig, een matje dat niet leegloopt. Gewoon lepeltje-lepeltje op twee matjes dus. 

Woei Woei!

We slapen wel slecht. Het stormt vreselijk daar bovenop die berg, de tent gaat alle kanten op en soms lijken we de lucht in te vliegen. Het zijn steeds hazenslaapjes die we doen. Gelukkig blijft verder die nacht alles heel en vertrekken we de volgende ochtend vroeg om aan de welverdiende afdaling te beginnen. 

Een magische ontmoeting

Toen we ons na een forse zomerse klim lieten afzakken naar Cetinje (Montenegro), kwam er een tegen strenge vorst ingepakte wielrenner naast me rijden. Door het patrijspoortje van zijn bivakmuts zag ik zijn neus, mond en ongeschoren kin. Ogen waren verborgen achter een sportieve zonnebril. Na het gebruikelijke ‘Where are you from?’, nodigde de man ons uit om bij hem en zijn vrouw, die ook van fietsen hield als het maar niet te ver was, te komen logeren. Voor 24 euro inclusief koffie, wifi en raki, voegde hij eraan toe. Toen we zijn genereuze aanbod halverwege de afdaling afsloegen, daalde hij naar 20 euro. De prijs voor het logement zakte nog een tweetal kilometers verder met ons mee tot 10 hele euro’s toen we langs zijn huis rolden zonder te stoppen. 

Toen we even later het niet als zodanig herkenbare centrum van Cetinje binnenreden, zou het nog tien minuten duren voordat we iemand tegenkwamen op wiens uitnodiging we wél in zouden gaan.

Een kleine supermarkt en een grote naderende bui maakte dat we even van de fiets gingen. Nicole ging boodschappen voor het avondeten halen (een eenpansgerecht want we sliepen die nacht in de tent) en ik bleef buiten bij de fietsen staan wachten, kijkend naar het onweer dat ons al enige tijd op de hielen zat en ons eindelijk, op de drempel van de supermarkt had ingehaald. Dikke spetters werden losgelaten en maakte dat ik wat dichter naar de gevel van de winkel kroop.

En toen verscheen er een klein vrouwtje ten tonele. Oud en volledig in het zwart, als bakeliet. Ze liep me voorbij richting ingang van de supermarkt maar stopte bij het zien van onze bepakte fietsen. Ze liep een kordaat rondje om de fietsen heen, de regen negerend. Ik keek haar verwachtingsvol aan.

‘Waar kom je vandaan?’, vroeg ze met woorden die verdacht veel op Italiaanse woorden leken. Ik antwoordde haar in het Spaans dat ik, waar mogelijk, verrijkte met een Italiaanse melodie. 

We begrepen elkaar. 

Het oude besje liet in korte tijd weten 93 jaar oud te zijn maar in haar koppie was ze nog een ‘teenager’, zo zei ze. Ze wees daarbij met een kromgegroeide vinger naar de zijkant van haar hoofd en lachte haar nog resterende voortanden bloot.

Ze liep de supermarkt binnen en liet me in de regen achter met een glimlach op mijn gezicht.

Terwijl de glimlach nog wat na sudderde, kwam Nicole de winkel uit. Buiten was inmiddels sprake van een enorme hoosbui en terwijl we haastig onze regenkleding opdiepten uit een van de fietstassen stond het oude dametje van zonet alweer achter ons. Ze wilde ook nog even met Nicole kennismaken. Ook Nicole vertelde ze trots over haar hoge leeftijd en jonge geest, waarna ze vroeg of ze nog iets voor ons kon doen. Nicole en ik wisselden snel een blik maar konden niet bedenken wat dit lieve vrouwtje voor ons zou kunnen betekenen. 

‘Kan ik jullie misschien helpen met een koffie of een borrel?’, verduidelijkte ze en voegde eraan toe dat ze hier om de hoek woonde. Opnieuw wisselden Nicole en ik een snelle blik maar terwijl we dat deden, hoorde ik mezelf al instemmen met een kop koffie. De regen en het vrouwtje duwden ons de hoek om waar we de fietsen tegen de gevel van een groot geel huis parkeerden. De vrouw haalde de zware deur van het slot. 

De deur werd met een zwaai geopend en 6 kattenogen staarden ons aan. De plotselinge geur van 10 vuile kattenbakken woog zwaarder dan de voordeur en bracht ons even aan het wankelen. ‘Oh jee!’, dachten Nicole en ik in koor.

Toen we ons door de eerste walm heen hadden gewerkt, ging alles heel snel en tegelijkertijd ook heel langzaam.

Het vrouwtje begon met het opzetten van water voor de koffie (‘Solo caffé Turco’, verontschuldigde ze zich). Vervolgens werden we zonder duidelijke aanleiding de tuin ingeleid. Daar ging de vrouw voor ons op zoek naar plantjes (de Salvia Divinorum) met medicinale krachten (‘magia’, noemde ze het). Ze plukte er twee stekjes van die ze in een oude krant met foto’s van blote vrouwen wikkelde. De ingepakte stekjes legde ze voor ons op tafel, waarna ze achter me in een lade van een antieke commode kast ging rommelen. Er werd een stapel paperassen op tafel gegooid. ‘Eccola’, klonk het (alsjeblieft). In die stapel ging ze op zoek naar een recept voor de Salvia plantjes (waarom en waarvoor was voor ons een raadsel). Dit duurde even, ze nam haar tijd, maar ondanks dat vond ze het recept met het plantje niet. 

Ondertussen kookte het water voor de Turkse koffie al enige tijd maar hier had ze geen erg in want nu was het tijd om ons een voor een voor te stellen aan haar katten. Namen en de betekenissen daarvan werden ons voorgeschoteld. We waren blij dat er maar vier katten in huis aanwezig waren want anders was het hele keteltje water voor de koffie verdampt. 

De rommelige keuken

Toen ze dan eindelijk de rommelige keuken in ging om de Turkse koffie in het kokende water te roeren, onderbrak ze die bezigheid om ons een pot stroop voor te houden. ‘De verdura’, zei ze en wees op de pot. Trots liet ze weten dat ze de stroop zelf gemaakt had. We moesten natuurlijk proeven. 

 Ze ging weer terug de keuken in. Niet om de koffie eindelijk gereed te maken maar om twee theelepeltjes voor de stroop op te diepen. De pot ging open, de theelepels werden aangereikt (‘Eccola’) en het proeven kon beginnen. Uiteraard was het heerlijk. Het smaakte naar stroop. We staken onze duimen ferm in de lucht waarop ons weer een blik op haar selecte verzameling tanden werd gegund. Opnieuw dook ze de keuken in. Nu voor een glaasje met water. Hier konden we de vuile theelepeltjes in zetten. ‘Eccola’.

Toen verdween mevrouw Eccola een voorraadkast in, en verdween uit het zicht. Nicole en ik keken elkaar vragend en lachend aan. Waar waren we in verzeild geraakt?

Daar was ze weer. Dit keer met twee lege jampotjes in haar handen. ‘Eccola’. Ze zette de potjes op tafel. Een van de potjes was hartstikke vies dus toen ze de keuken weer in ging om opnieuw water op te zetten voor de Turkse koffie, verstopte ik het vieze potje snel voordat ze het voor ons ging vullen met stroop. 

Terug bij ons aan tafel en gewapend met een eetlepel, lepelde ze de stroop in het veel kleinere jampotje. Lange draden van stroop vielen op de tafel en het vloerkleed. Het werd een janboel. Toen er uiteindelijk een flinke bodem stroop in het potje terechtgekomen was, zeiden we dat het zo wel genoeg was. Daarbij lieten we het woord koffie een paar keer vallen om haar aandacht terug te vestigen op het inmiddels allang weer kokende potje water. Dit lukte. 

Deels

Tijdens het inschenken van het tweede kopje koffie (zelf dronk ze alleen ‘s morgens koffie) kreeg ze wéér een ingeving. ‘Bij de koffie horen bonbons’, hoorde ik haar zeggen. Vanuit de keuken liep ze, al ‘bonbon’ roepend en met haar handen zwaaiend boven haar hoofd alsof ze twee gloeilampen tegelijk in hun fittingen draaide, naar het tv-kastje in de voorkamer. 

Wij werden nu een beetje melig en baldadig tegelijk en begonnen ook ‘bonbon’ te roepen. Met z’n drieën in koor herhaalden we nu steeds harder het woord ‘bonbon!’. We gierden het uit.

Ze haalde een enorme rechthoekige doos uit het tv-kastje tevoorschijn. De doos zat nog in het folie dus het duurde even voor die was uitgepakt. Natuurlijk moesten de bonbons op een mooi bordje worden geserveerd dus stoof ze weer de keuken in. Ze kwam terug met iets Delfts blauw-achtigs. Ze veegde het bordje schoon met de mouw van haar vest en zette het met een smak voor ons op tafel. ‘Eccola’.

De doos met chocolade werd in zijn geheel boven het bord omgekeerd. Aan beide zijden vielen een viertal bonbons naast het bord. Ook dit was nu om te gieren. De stemming was uitgelaten. Ze greep de muitende chocolaatjes met een grote zwier van tafel en vervolmaakte de chocoladetoren op het bord. ‘Eccola’.

Plotseling viel haar oog weer op de stapel paperassen die nog steeds op tafel lag. Alle gekheid ging op een stokje want ze besloot opnieuw te gaan zoeken naar het magische recept met de Salvia. Een voor een werden de envelopjes opengevouwen. Het recept zat er weer niet tussen.

En wij maar wachten op de koffie.

Terwijl de oude dame naar het recept zocht snoepten Nicole en ik alvast een chocolaatje van de toren. Ze smaakten naar banaantjes, die schuimsnoepjes van vroeger en nu.

Eindelijk was er tijd om de tweede kop koffie in te schenken. Er werden nog snel even twee schoteltjes uit de rommelkeuken tevoorschijn getoverd waarop de koffie kon worden geserveerd (‘Eccola’). Ze vroeg of we suiker in de koffie wilden maar om praktische redenen besloten we de koffie zwart te drinken. We zaten onderhand al een uur bij de vrouw in de kattenbak en dat was lang zat. In ieder geval lang genoeg om het buiten te laten opklaren.

De koffie, en dat moet gezegd, was uitstekend van smaak maar het werd nu toch echt tijd om verder te fietsen. We hebben de vrouw geknuffeld en ze wenste ons een gezonde reis en een gezond leven toe. Toen we haar bedankten voor de koffie, Salvia plantjes, stroop en bonbons (ze schoof ze van het bord zó in een plastic zak en gaf ze allemaal mee), zei ze dat ons bedankje voor haar geschenken niet op z’n plaats was. De enige die je mocht bedanken, zo zei ze, is de Heer. En ook dan alleen als het écht nodig was, voegde ze eraan toe.

De lieve schat

Een tijdje aan de waterkant

Niet lang geleden stonden we, omringd door hoge bergen, met onze tent op een vlak stukje gras. Aan de rand van het veldje zocht breed water zijn weg tussen de bergen naar een verder gelegen meer. Routineus, zoals het dat al duizenden jaren deed. Tot een boot het water in twee stromen spleet, waarvan er een met mijn voeten kwam spelen. 

Het vlakke stukje gras

Zonder dat het stil was gold er absolute stilte aan de rand van dat veldje. In slechte romans noemen ze die sfeer vredig. De zon spande zich matig in om een vroeg buitje te laten verdampen. En geef ‘m eens ongelijk.

Ik hoorde daar aan het water niets dan geluiden die pasten in de natuur die ik voor me zag. En dan reken ik de menselijke stem daar ook toe want we waren niet de enigen in het vriendelijke dal. 

Mijn uitzicht daar aan het water

Links van me hoorde ik een vrouw iemand een handvol woorden toewerpen. Een boodschap want er werden geen woorden teruggegooid. Het was moeilijk in te schatten hoever de vrouw van me verwijderd was want de bergen rondom fungeerde als een klankkast van het allerbeste hout. Ieder geluid droeg ontzettend ver en kwam in afgezwakte vorm dikwijls terug. Het deed me denken aan de whispering gallery van St. Paul’s Cathedral in Londen. Het moet ergens in 1986 of 1987 geweest zijn. Ik fluisterde er met een stem die me weldra zou verlaten, woordjes via de wand naar een klasgenoot die zich aan de andere kant van de koepel bevond. In mijn gedachten zag ik de woorden hoog langs de koepel naar de overkant kruipen. Bovenlangs, dat leek me de weg met de minste obstakels want er zaten meer kinderen zoals wij tegen de muur te smoezelen. Zouden de woorden de zwaartekracht kunnen trotseren, vroeg mijn jonge ik zich destijds af. Zouden ze bovenin de punt van de koepel andere gefluisterde woorden ontmoeten die zich daar misschien mengen met die van mij, waardoor er aan de andere kant verdraaide zinnen ontstaan?

Gekonkel in de kathedraal. 

Woorden en beelden lieten zich in mijn pubertijd net zo gemakkelijk mengen als een paar dagen geleden in dat groene dal.

Zo klonk het geluid van de vele zwaluwen daar als gekwebbel tijdens een receptie. Je hoort het onafgebroken maar je luistert er al snel niet meer naar. Wat ik wél deed, was kijken naar hun scherende vluchten over de waterspiegel. Wat ik daarin óók zag, waren de Sturzkampfflugzeugen (Stuka’s) die jarenlang in zwart-wit door mijn klaslokaal vlogen als de Tweede Wereldoorlog weer begon in 4 mavo. 

Precisiewerk.

Op een steenworp afstand van onze tent stond trouwens een andere herinnering aan vroegere tijden. Tijden waarin Joegoslavië (en via Joegoslavië de Sovjet-Unie) het hier nog voor het zeggen had en deze plek hadden uitgezocht om de Russische soldaten te eren die in 1945 Europa van Hitler-Duitsland hadden bevrijd. Het enorme monument, op deze prachtige kleine plek, maakte op mij een misplaatste indruk. Een zware stempel waarvan de inkt al even is opgedroogd. 

Maar dat is wat míjn ogen zien. 

De ogen van hier kijken anders. Die kijken tevreden na het netjes ophangen van een poster van Vladimir Poetin. Ik heb het zelf gezien, voor iedere hoek werd met zorg een rode punaise uit het bonte bakje gezocht. De tijd, kortom, wordt hier nog voor een deel met hamer en sikkel vervaardigd en er is meer dan voldoende van.

Ik kon stiekem een foto (van ver) maken van de Poetin-poster

De toeter van een auto bracht me terug naar het groene veldje tussen de bergen. Toen ik omkeek in de richting van de weg en het geluid, zag ik een bedaagde vertegenwoordiger van de veehoudende stand zijn schapen opdrijven met de bumper van zijn eveneens bejaarde Volkswagen Polo. Half uit het raam hangend zwaaide hij als een bedreven polospeler met zijn stok naar de kudde. Alleen bij de brug stapte hij uit de auto om de dieren te voet naar de overkant te dirigeren. Eenmaal de brug over, kroop hij weer achter het stuur en bumperde de schapen verder richting de plek waar ze nodig naartoe moesten.

En zo zit ik maar wat langs het water terwijl Nicole naast de tent een boek leest. Een uur gaat voorbij en zonder ook maar iets te doen ben ik een ervaring rijker en daar gaat het volgens zeggen toch om in dit leven.

Translate »