• info@pedalenenverhalen.nl

– Blog

Baku, en het grote geheim

Ik kijk in een spiegeltje dat mij twee ogen toont. Het zijn niet de mijne. Ze zijn bruin, en ik zie dat de ogen moe zijn, halfgesloten en van hier. Hier is Azerbeidzjan.

Mijn eigen ogen moeten wennen aan een snelheid die ze al bijna 5 maanden niet meer kennen. Rechts van mij, en niet zichtbaar in de achteruitkijkspiegel, zit Nicole. We zitten dicht op elkaar in de cabine van een kleine truck. Vooral mijn knieën hebben last van de beperkte ruimte. Ze willen strekken en buigen, het liefst aan een stuk door. Ze willen eigenlijk gewoon fietsen, ze weten niet beter.

Na ruim 200 kilometer door de woestijn te hebben gefietst, kwamen we compleet afgedraaid aan bij het door onze navigatie-app aangegeven overnachtingsplaats. Het was overvol op de oase die op de app de naam F@d@k heeft meegekregen. Dit was tevens de naam van ons beoogde motel. 

F@d@k bleek een populaire pleisterplaats voor truckers en automobilisten die van- en naar Baku onderweg waren. Je kon er uitgebreid eten op diverse terrassen, bij foodtrucks en andere zelf getimmerde eetstalletjes. Er was voor de kleintjes een grote speeltuin en voor eenieder een soort van vogeltuin en een welriekend toilethuis.

Nicole en ik trapten onszelf het stoffige horecaondernemersplein op en werden door een verkeersregelaar gemaand om de fietsen op een door hem aangegeven plaats te stallen. Dit deden we niet. We bleven nog even gedesoriënteerd over het terrein rollen toen we dezelfde verkeersregelaar besloten te vragen of hij ons door de drukte naar het motel kon wijzen. De man in het fluoriserend gele hesje zei dat er in F@d@k geen motel was. Om zijn woorden kracht bij te zetten, en daarbij een definitieve streep door onze hoop op een douche en een bed te trekken, maakte hij van zijn onderarmen een kruis en richtte deze naar ooghoogte op. Nicole en ik keken elkaar aan en zagen niets dan vertwijfeling in elkaars ogen. 

Ondertussen stak er een stevige, stoffige, wind op die ons het laatste zetje gaf. We stapten af.

We besloten wat te gaan eten. We konden na een rit van 94 kilometer door de barre zandvlakte de verse energie van een maaltijd wel gebruiken. Het leek ons ook verstandig om even rustig de tijd te nemen om na te denken over onze opties. 

Al vrij snel kwamen we erachter dat er geen andere optie was dan doorfietsen en hopen dat we langs de route een geschikte plek om te overnachten zouden vinden. We werden een beetje stil van dat vooruitzicht want de laatste dagen door de woestijn hadden ons zowel geestelijk als fysiek moe gemaakt.

In stilte aten we van een salade, wat frites en een bouillon met vlees. 

‘We kunnen ook proberen te liften’, zei Nicole na een slok Fanta. Het L-woord was gevallen. Het klonk daar in de oase niet als vloeken. Het klonk als de L van Lekker! Leuk! Let’s do it! 

‘Waarom niet’, antwoordde ik. ‘Het moet zeker lukken met al die mensen hier. We moeten alleen een truck of een busje hier voor de poort zien te strikken’.

Zowel Nicole als ik hadden in ons leven slechts één keer eerder met opgestoken duim langs de kant van de weg gestaan. Nicole in Andorra en ik in Spanje. Daar was het ons allebei gelukt een lift te krijgen. Hier in Azerbeidzjan moesten we het nog maar zien met die twee volgepakte fietsen in de hand.

Na de maaltijd duwden we onze fietsen naar de grote parkeerplaats langs de kant van de weg en namen onze liftposities in. Iedere truck en iedere busje dat groot genoeg leek om ons en de fietsen mee te nemen kreeg van ons een ‘thumbs up’. De aandacht die we daar langs de weg kregen was enorm en enthousiast. Er kwamen zelfs mensen naast ons staan voor een gezamenlijke foto. Iedereen op de foto moest in de lifthouding met de duim omhoog. Van veel passerende auto’s, busjes en trucks kregen we een ferme duim terug maar stoppen deden ze niet.

Toen was daar een truck met een open laadbak. De chauffeur had net als wij lekker zitten eten en hij begon rustig aan een poging om in te voegen tussen het passerende verkeer. Wij kregen hem in het snotje dus sprongen voor zijn truck en begonnen te huppelen en juichen alsof hij al had besloten om ons mee te nemen. Ik zag in de ogen van de chauffeur dat hij daardoor even van z’n à propos raakte. We sprongen nog hoger en zwaaiden onze vier duimen naar alle kanten. Ons vrolijke gejuich trok veel aandacht van het overige publiek dat nu ook verwachtingsvol naar de chauffeur begon te kijken. Gaat hij ze echt meenemen?, dachten zij. Gaat hij ons echt meenemen?, dachten wij.

De wereld hield z’n adem in en de chauffeur minderde vaart. Hij zette de truck stil en stapte uit de cabine. Een kort gebaar met hoofd en hand vertelde ons dat we de fietsen achterin konden leggen. Gejuich en geklap klonk nu ook om ons heen. En de duimen van de omstanders verschenen uit vele broekzakken.  

We konden ons geluk niet op. Van een ellendig gevoel waren we ineens in pure euforie beland. De man knikte nadat Nicole het woord Baku op vragende toon uitsprak. Hij moest naar Baku

Zo komt het dat we nu dus opeengepakt met 110 kilometer per uur door het laatste stuk woestijn stuiven. 

Als mijn ogen gewend zijn aan het nieuwe reistempo, zien ze rechts stalletjes met meloenen. Galia en Water.

Een paar kilometer verder staan er een stuk of tien jongens langs de kant van de weg. Ook zij proberen iets te verkopen aan het voorbijtrekkende verkeer. Even denk ik aan vis. Het lijkt zilver en heeft de afmeting van kabeljauw. Het is geen vis. De jongens staan met konijntjes in de hand. Met duim en wijsvinger houden de jongens de beestjes vast bij de lange oren. In iedere hand één. De konijntjes zweven hulpeloos boven het hete asfalt.

De chauffeur zwijgt de hele rit en heeft geen oog voor de verkopers. Ook niet als er even later mannen met dampende maiskolven langs de weg staan. Hij let op de weg en wil er zeker van zijn dat hij zijn kostbare lading straks heelhuids in de stad afzet. 

Vlak voor Baku kijk ik in een spiegeltje dat mij twee ogen toont. Het zijn niet de mijne. Ze zijn bruin, en ik zie dat de ogen moe zijn, halfgesloten en van hier. Meer zie ik niet. Wat er achter die ogen schuilgaat is voor mij een groot geheim. Net als Baku, de stad die we samen inrijden dat is, en dat voor mij altijd zal blijven.

Baku

Die lange rechte weg

We zijn naar de woestijn van Azerbeidzjan gefietst. Vier dagen geleden besloten we de groene bergen in te ruilen voor een geel, dor en vlak stuk woestijn. Dat die woestijn geel, dor en vlak is hoeft op zich geen probleem te zijn. Maar kijken vanaf de fiets naar al dat gele, al dat dorre en dat eindeloze vlakke, bij een temperatuur die je inwrijft dat je lichaam daar niet per se lekker bij gedijt, en waar droge ogen gedurende honderden kilometers niets dan een rechte weg zien, dat houd je dus precies drie dagen vol. Althans wij.

Drie dagen hebben we door de woestijn gefietst. De eerste dag fietsten we 127 km en genoten we van de verandering van omgeving. Van groen naar geel. We dronken thee met volle teugen en scheppen suiker, om de aanwezige energie vast te houden. Toegegeven, die eerste dag moesten we nog over enkele heuvelruggen en slingerden we door wegwerkzaamheden waarbij het wegwerkers korps ons vrolijk bekeek alsof we verdwaald waren. Wij zwaaiden terug met zekere hand en dito tred, vastberaden op weg naar lager land. 

We kwamen na die lange fietsdag aan in Mingecevir, de op drie na grootste stad van Azerbeidzjan. Het leek alsof de stad zélf wist dat het geen stadse allures bezat. Mensen en gebouwen hielden zich schuldbewust verborgen. Hier en daar kroop een kind, een hond of een klein winkeltje naar voren om ons te groeten en welkom te heten. Grote gebouwen hielden hun deuren dicht en kropen weg achter andere gebouwen, zelfs als die kleiner waren. Alsof ze ongezien hun plaats in de stad in wilden nemen. 

Er komen geen toeristen naar Mingecevir dus dat verklaart waarom de panden, zelfs de musea en monumenten, niet goed weten hoe ze zich tegenover twee fietsers van verre moeten gedragen. Sommige fonteinen in de stad gaan precies tegenovergesteld aan die in de tuinen van Versailles uít als we langslopen. Het kan ook toeval zijn, we zijn immers geen zonnekoning of -koningin, maar toch! 

We laten ze dus maar wat met rust. Ik drink een voorzichtig biertje bij het hostel dat zich ook al zo goed had verstopt. De magere jongen die het hostel runt had juist die dag een bier tap gekocht waarmee hij op straat bier in plastic flessen kon tappen. Hij verkocht voorzichtig zijn eerste flesjes. Ik was zijn derde klant en hielp hem zijn nieuwe nering te promoten bij voorbijgangers. Het leidde tot een vierde klant, waarop de jongen direct een stoel voor me ging halen die hij pal naast zijn bier tap neerzette. Ik prees zijn ondernemerschap en haalde nog een klant voor ‘m binnen met de woorden ‘Very good pive!’ terwijl ik naar de fles bier wees. Pive is hier het woord voor ‘bier’.

Mijn tweede biertje haal ik op een achter hekken verstopt terras naast ons hostel. Nicole is even de laptop van onze kamer aan het halen en is dus geen getuige van het volgende:

De eigenaar van de kroeg neemt mijn bestelling op en ik, polyglot die ik ben, bestel een ‘Pive’. De man maakt een gebaar van dankbaarheid door zijn rechterhand op z’n hart te leggen en een lichte buiging te maken. Iets dat hij herhaalt als ik 10 minuten later afreken en vertrek. Hij heeft een soortgelijke tap als de jongen van het hostel op z’n terras staan dus ik kan zijn verrichtingen op de voet volgen. 

De man, hij gaat trouwens gekleed in een authentieke bierbuik dus je zou denken dat alles in orde komt, pakt een bierglas met een inhoud van een halve liter. Een slank en hoog glas. Hij haalt het glas, zoals het hoort, uit een vrieskist, waarop ik al direct begin te likkebaarden. Het glas belandt, naar mijn mening iets te verticaal maar kniesoor die daar op let, onder de tap. Hij trekt de hendel naar zich toe en het bier begint te vloeien. Althans dat neem ik aan. Het glas wordt echter langzaam tot de nok toe wit in plaats van goudgeel. 

Schuim.

En dan doet de man iets dat iedere bierdrinker doet gruwelen. Hij pakt uit eenzelfde bierglas, dat al enige tijd bij een temperatuur tussen de 34 en 36 graden staat te rusten, een lepel. In het warme glas staat, behalve de lepel, overigens nog zo’n twee worstvingers oud bier. Met de lepel schept hij schuim uit het vers getapte glas in het warme worstvingerglas. Als er na wat geschept weer ruimte in het koude glas is, zet hij het weer aan de tap en haalt de trekker over. Het glas vult zich opnieuw met schuim dus het tafereel herhaalt zich nog enkele keren. 

Dan doet de man iets waarvan mijn maag zich omdraait. Hij giet de inhoud van het warme worstvingerglas bij mijn vers getapte glas, schept nog wat laatste schuim af, trekt nog een keer aan de hendel en ziet dat het geheel eruitziet als een glas bier. Tevreden zet hij het voor me neer op tafel. Hij klopt daarbij voor een tweede keer met zijn rechterhand op zijn hart.

Dan doe ik iets dat iedere bierdrinker zal doen gruwelen. Ik neem een slok.

Maar goed, dit even terzijde. Ik had het over fietsen in de woestijn. Ik snap dat koud bier, of de gedachte daaraan heel goed samengaan, maar dat is nu even niet aan de orde.

De dag erna begonnen we vanuit Mingecevir aan de lange weg naar Alat. De weg van 250 kilometer is recht en gaat dwars door die dorre gele vlakte. Nogmaals, het was heet.

Na de etappe van 127 kilometer naar Mingecevir, kwam er een eerste etappe van 120 kilometer recht door de woestijn. Vol goede moed startten we vroeg en in een hoog tempo.

Maar dat is dan ook alles! Je vertraagt wat gedurende de dag maar verder is het een kwestie van speciaal water kopen (water dat in no-time van koud naar mokerheet transformeert) waar dat kan en ergens halverwege de dag brood met chocopasta en nep-Vache-Qui-Rit-kaasjes eten en hier en daar een koude cola of Fanta drinken. Verkoeling zoek je echt overal maar vind je nergens.

En dan besef je, fietsen in de woestijn is eigenlijk helemaal niet zo leuk. Nicole kreeg er zelfs warmte-uitslag van op d’r benen, zo niet-leuk vond ze het.

En dan moet je daar waar niets is behalve hitte, ook nog ergens een slaapplaats regelen. Een motel, hostel, hotel, herberg, wat dan ook. Als het maar een douche heeft. Liever een douche dan een lekker matras is ons devies in de woestenij. Steevast rekenen ze hier in de woestijn te veel voor een kamer. Dat hebben ze zo geleerd. ‘Toerist aan de deur, is handel naar willekeur’. En wij dan, afgepeigerd en bezweet en onder de warmte-uitslag, die prijs weer terugbrengen naar acceptabele proporties. Met veel gebaren want het enige woord dat ik ken is zoals je weet: ’bier’.

Goed. De volgende dag van hetzelfde laken een pak. De weg is recht, de zon is moordend en de benen en de moraal worden slechter. We fietsen 94 kilometer naar de volgende plek waar volgens onze navigatie-apps een motel moet zijn.

Natuurlijk zijn de laatste loodjes het zwaarst. Ik moet steeds meer ‘kontspannen’. Ik doe dat door op de pedalen te gaan staan of even helemaal van de fiets af te stappen; iets wat niet aantrekkelijk is in een woestijn. Voor het laatste stuk moeten we klimmen. Dat is een verademing. Bochten en even niet weten wat je te wachten staat is zoveel fijner dan die lange rechte weg.

Die lange rechte weg waarop je niets anders doet dan kilometers vreten, zwaaien naar auto’s en trucks met enthousiaste mensen. Langs die lange rechte weg liggen de dode dieren en linkerschoenen, het plastic en de afgereden vrachtwagenbanden. Al die dingen lijken iets te willen betekenen, maar kunnen het niet.

Dát is fietsen in de woestijn.

Tot het volgende verhaal

Azer’zwaai’djan

Het wachten op mijn nieuwe achteras dwingt ons om uiteindelijk 9 dagen in Tbilisi te verblijven. Geen straf, want de stad is prachtig. We wandelen ’s ochtends en ’s avonds door de het oude levendige centrum. En overdag brengen we onze tijd door met een goed boek in ons goedkope en ruime onderkomen met airco. 

Na twee weken samen met Ian gefietst te hebben nemen we afscheid in Tbilisi. Wellicht komen we elkaar onderweg nog tegen, maar als dat niet zo is gaan we elkaar zeker weer ontmoeten. We hopen dat hij ons in Nederland komt opzoeken en hij heeft ons vast uitgenodigd om bij hem langs te komen in het Lake district. 

We spreken af om met Thomas, Geraldine en Stefano te gaan eten. Thomas en Geraldine waren ons eerste ‘Warmshower hosts’ in Keulen en zijn ook in Tbilisi. Thomas fietst in zijn eentje naar Vietnam in een jaar tijd. Hij heeft afgesproken met 3 vrienden die hij daar 25 jaar geleden heeft ontmoet. De meeste mensen dachten dat Thomas een grapje maakte toen hij zei dat hij ernaartoe zou gaan fietsen. Het is dus maar de vraag of de rest van de club zich ook aan de afspraak houdt en op de aangegeven datum in Vietnam zal zijn. 

Geraldine, de partner van Thomas, zoekt hem onderweg af en toe op. 

Stefano, een fietser uit Italië, volgen we sinds een paar weken op Instagram. Hij zit steeds vlak achter ons en Tbilisi is de perfecte plek om elkaar te ontmoeten. En dat doen we dus ook. We hebben een gezellige avond. Thomas neemt ons na het eten mee naar een café waar hij de dag ervoor goede wijn en bier heeft gedronken. De mannen gaan aan het bier, Geraldine aan de wijn en ik aan een heerlijke zelfgemaakte limonade. Alcoholische drankjes zijn gewoon niet zo mijn ding. 

Mijn nieuwe achteras wordt, nadat een eerdere poging om onderdelen ervoor vanuit Nederland naar Turkije te verzenden is mislukt, meegenomen uit Duitsland door de vriendin van Peter, weer een andere Duitse fietser. Peter heeft zich alleen vergist in de dag. Zijn vriendin komt niet op vrijdag, maar op zaterdag aan. Gelukkig is de beste fietsenmaker van Tbilisi tot 19:00 uur open en als we om 17:00 uur met een achterwiel en een nieuwe achteras aankomen, blijkt dat hij die tijd ook hard nodig heeft om de as te verwisselen. De zondag erna gaan we weer op pad, en wat is het heerlijk om zonder een tik in de as verder te fietsen! 

Er zijn drie mogelijkheden die ons naar de grens met Azerbeidzjan brengen. We kiezen voor de weg met de meeste hoogtemeters, omdat de omgeving ons daar het mooiste lijkt. We mogen dan ook weer flink klimmen. Met een uitgerust lijf is dat prima te doen. De temperatuur is goed, zo rond de 27 graden. 

We gaan een bergpas over en zien de Kaukasus voor ons liggen. Net voor het gebergte slaan we rechts af richting Azerbeidzjan.

Bij de grensovergang wordt alle bagage gescand. We mogen geen drone meenemen. Die hebben we ook niet. 

Voor ons het 13e land

 Het is prachtig om door de vallei te fietsen. Het is een heel andere omgeving dan waar we de grens passeerden in Georgië. Daar waren de mensen wat afstandelijk en keken ons soms met achterdocht aan. Hier lijkt het land ook net iets meer ontwikkeld waardoor de blikken misschien minder hard en meer hartelijk zijn. De Azerbeidzjanen zijn uiterst vriendelijk en we worden van harte welkom geheten. Tegen het enthousiaste aan! 

Heerlijk dit

Ineens is de weg ook geen hobbelig asfalt meer, maar een mooi glad wegdek. De mensen zwaaien overal uitbundig en toeteren naar ons alsof we de koninklijke familie zijn. Ze lachen, proberen een praatje te maken, willen met ons op de foto en we krijgen in het voorbijgaan een meloen in onze handen geduwd. 

Als we de volgende ochtend onze spullen hebben ingepakt kijken we naar de mogelijkheden voor de route richting Baku en Alat. Het wordt warm die dag. Rond de 36 graden. We besluiten daarom de weg te kiezen waarbij we minder hoeven te klimmen, we fietsen weg van het Kaukasus gebergte. 

Na een paar kilometer komt er een fietser naast ons rijden. Hij houdt hele verhalen tegen ons in het Russisch en wij antwoorden voor het gemak maar in het Nederlands. Verstaan doen we elkaar toch niet. We doen wel alsof we elkaar begrijpen, maar dat is niet zo. Hij lijkt met zijn gele hesje iemand van de gemeente en slaat rechtsaf als hij zijn collega’s met net zulke gele hesjes ziet. 

De weg is op deze route niet meer zo goed geasfalteerd. We hobbelen samen met de vele Lada’s door de kuilen en het grind. De paarden en koeien lopen hier los langs de weg maar het lijkt met het verkeer allemaal goed te gaan. 

We proberen zoveel mogelijk water uit flessen te drinken, maar als we onderweg een kraan zien vullen we voor de zekerheid toch maar een bidon. Er is hier soms weinig te koop onderweg. Achter het kraantje waar we onze bidons vullen, staat een gebouw dat een barretje blijkt te zijn. Nieuwsgierig komt de tandeloze eigenaar kijken en vraagt of we cay (thee) willen. Thee is erg lekker om te drinken met warm weer dus we stemmen in en nemen plaats op zijn terras. We krijgen een pot thee met schijfjes citroen en maken een praatje. Ondanks dat we elkaars taal niet machtig zijn lijken we elkaar toch echt te begrijpen. Hij wil weten hoeveel kilometer we hebben gefietst en hoelang we onderweg zijn. Hij vraagt waar we naartoe gaan. Als ik het op mijn mobiel laat zien wijst hij naar een deur achter ons een maakt een gebaar van douchen en slapen. Hij wappert met zijn shirt dat het veel te warm is om nog eens 80 km verder te fietsen. We kunnen wat hem betreft blijven. Het is pas 12:00 uur en we willen de 80 km die we nog te gaan hebben graag afleggen dus we slaan zijn aanbod af. Als we de pot thee willen betalen wil hij daar niks van weten. We maken een selfie met zijn vrouw en wat dorpelingen erbij, en stappen weer op de fiets. 

Na zo’n 30 km trappen in de brandende zon is daar ineens een supermarktje. We stoppen in de schaduw en kopen water, frisdrank en koekjes. De koekjes zijn zacht. Geen idee of dat zo hoort, maar de smaak is heerlijk. 

Er stopt een man in een Lada en hij stapt uit voor een praatje. Iedereen vraagt ons of we Russisch spreken, maar dat doen we niet. Het maakt hem niet uit en hij begint met handen en voeten vragen te stellen. We hebben echt geen idee waar hij het over heeft. We zeggen dat we uit ‘Hollanda’ komen en wijzen op de kilometerstand. Vol bewondering kijkt hij naar de 6700 km en maakt een gebaar dat we sterke benen hebben. Hij maakt duidelijk dat hij 70 jaar is en wij vertellen hem onze leeftijden. Dan vraagt hij of we kinderen hebben. We schudden van nee. Hij kijkt afkeurend en maakt een wegwerp gebaar naar Dennis en richt zich op mij. Hij heeft 10 kinderen en steekt daarna 5 vingers op. Dennis grapt dat hij die bij 5 verschillende vrouwen heeft. De man kijkt er ontzettend trots bij en gebaart dat ik wel met hem mee kan naar huis, en lacht er veelzeggend bij. Nou, dank u wel! 

Leg hier maar eens uit dat we bewust kinderloos zijn. We hebben dit eerder in Azië meegemaakt en we merkten toen al snel dat mensen dat niet begrijpen. Dan denken ze al snel dat er iets mis is. 

De man probeert ons nog een keer mee te krijgen en wijst in de richting van een aantal huizen. We begrijpen dat hij daar woont. Dan maakt hij het geluid van een schaap en maakt hij een snijdende beweging langs zijn keel. Hij is bereid een feestmaal te serveren. We bedanken hem voor het genereuze aanbod maar wijzen het af. Laat dat schaap maar leven. Wij gaan fietsen! 

De weg wordt alsmaar slechter. Dan ineens fietsen we kilometers tussen de wegwerkzaamheden. De bergen zijn kaal en dor. Door de stof van de weg lijkt het net een woestijn. Ondanks dat de meeste weggebruikers rekening met ons houden worden we regelmatig bedekt met een stoflaag. 

Another one bites the dust!

De meeste auto’s passeren ons langzaam. De inzittenden kijken nieuwsgierig naar ons, lachen en zwaaien. Sommige zitten achterstevoren in de auto. Soms zelfs ook de bestuurder. 

Een van hen stopt langs de weg en houdt een flesje water uit het raam. Een klein gebaar, maar op zo’n moment zo groots. Mensen die op het oog zo weinig hebben, maar toch alles met je willen delen. Het ontroert me steeds weer. 

In Mingacevir, de vierde stad van Azerbeidzjan, gaan we op zoek naar een onderkomen. We hebben echt een douche nodig om het stof van ons af te spoelen en we verlangen naar een dagje rust. Op 5 juli is onze trouwdag en dat willen we vieren dus we vinden dat het best een beetje luxe mag. Het eerste hotel vraagt 70 euro per nacht. Dat vinden we toch echt te gek. We proberen te leven van max 30 euro per dag dus dat is ver boven budget. 

Het tweede hotel vraagt 30 euro per nacht. Het ziet er mooi uit, dus we besluiten het te doen. De fietsen mogen binnen staan, maar als we die naar binnen willen rollen moeten ze toch ineens buiten onder een afdak staan. Dat vertikken we. De fiets is ons alles, dus als die niet veilig binnen kan worden weggezet, vertrekken we weer. 

Bij een motel worden we geweigerd, omdat we getrouwd zijn. Tenminste, zo begrijpen we. Of eigenlijk, we begrijpen het niet. 

De laatste en goedkoopste optie is een hostel maar dat kunnen we niet vinden. Als Dennis het gaat vragen stopt er een auto naast me. De man wil met ons op de foto. Dennis weet inmiddels waar het hostel is, maar de man met de auto staat er op ons er heen te brengen. Hij stapt weer in en wij fietsen achter hem aan. Hij rijdt de verkeerde kant op. Als we gebaren dat we de andere kant op moeten, zegt hij nogmaals dat hij heel goed weet waar het is. We fietsen schoorvoetend nog een stukje mee, maar bij een volgende kruising slaan we toch maar af. Nam die gast ons nou in de maling? 

Als we uiteindelijk voor de deur van het hostel staan (we reden er zó naartoe) komt ook die gast met die auto weer aanrijden en roept blij dat het daar is, en wijst naar de deur van het hostel. We bedanken hem met het nodige gespeelde enthousiasme en gaan een kijkje nemen in het hostel. 

Dit blijkt na lang zoeken uiteindelijk de beste plek te zijn. We hebben een kamer voor onszelf met airco, douche, toilet en ontbijt voor 7,50 euro per nacht in het centrum. De fietsen mogen we bij de buren (de apotheek) in de winkel zetten. Na 127 km op de teller en een heerlijke douche gaan we uiteten. 

We zijn onder het dagbudget gebleven.

Een historische bespiegeling

Thuis heb ik de wereld leren kennen, leren beschouwen. Dat is bovendien onderdeel van mijn werk als leraar. Nog meer gezien het vak waarin ik lesgeef; geschiedenis. Tijdens mijn lessen doe ik mijn best om leerlingen verschillende geschiedenissen in kleine sappige beetjes toe te dienen. Daarbij heb ik altijd mijn best gedaan om het verleden in het heden te laten spiegelen, en andersom. Onder de waterspiegel speel ik de scenes uit het verleden af. Leerlingen rondom de poel kijken naar het verleden dat ik ze voorhoud, soms kijken ze met afgrijzen, soms met verwondering, soms verveeld en soms geboeid. 

Het vak geschiedenis hoort op de middelbare school niet bij de populaire vakken. Leerlingen vragen zich regelmatig hardop af waar het vak goed voor is. “Wat hebben we eraan?”

“Ze kunnen beter het vak ‘toekomst’ geven, daar heb ik veel meer aan”, heb ik ook al eens gehoord. 

Ik snap die leerlingen wel. Ik leg ze vaak uit dat hun interesse in het verleden zo klein is omdat ze er zelf nog zo weinig van hebben. Als tiener heb je weinig verleden en een overschot aan toekomst waardoor het vanzelfsprekend lijkt dat die toekomst belangrijker is dan het verleden. Daarna leg ik ze uit dat ook in hun jonge levens al, het verleden iedere dag aan belang toeneemt en het belang van de toekomst evenredig afneemt. Ik maak er ter verduidelijking een wiskundige grafiek bij die een vakoverstijgend karakter heeft van heb ik jou daar! Om hen ten slotte te wijzen op oude besjes van een jaar of negentig. Die lijken uitsluitend nog in het verleden te leven. De toekomst is voor hen nauwelijks nog van belang omdat die zo goed als opgebruikt is.

Kortom, hoe ouder je wordt, hoe meer waarde je als vanzelf aan de geschiedenis gaat toekennen. Het leven is een grote geschiedenisles! Ik sluit mijn betoog steevast af met de zin: “Ik hoop dan ook dat jullie nog heeeel lang mogen genieten van het vak geschiedenis”.

En daarom wil ik dat mijn leerlingen in die historische poel blijven kijken tijdens de paar uurtjes geschiedenis die ik ze in de week geef. En als ik mijn werk goed doe, zien ze vanzelf ook hun eigen spiegelbeeld in de vijver verschijnen. En steeds duidelijker bovendien.

Nu, tijdens onze fietsreis, besef ik steeds meer dat als je de wereld met een menselijk tempo intrekt, je langs heel verschillende vijvers fietst. Al die verschillende vijvers laten onder hun waterspiegel verschillende belangrijke geschiedenissen zien. Ik mag in alle vijvers die ik passeer een blik werpen maar heb nog moeite om mijn eigen spiegelbeeld erin te herkennen. Kennelijk kijk ik weer als een tiener de wereld in en heb ook ik weer tijd en lessen nodig om te leren.

Gelukkig hebben ik nog een lange reis voor me. Ik zal tijdens de reis zo veel en zo lang mogelijk in de verschillende historische poeltjes blijven kijken. En als ik het goed doe, zie ik vanzelf mijn eigen spiegelbeeld verschijnen. En steeds duidelijker bovendien.

Translate »