• info@pedalenenverhalen.nl

– Blog

Pas net 13 jaar

In het loodgrauwe ochtendlicht, dat ik met 40 Watt aan kunstlicht van een beetje kleur voorzie, kijk ik naar de druilerige dag die als een rillende hond op het Braassemermeer is gaan liggen. Late leerlingen fietsen ineengekrompen tegen de slagregen naar hun eerste lessen. In blokken van net geen uur zullen ze kennismaken met Pythagoras, argentum, stuwwallen, Philips II, kwatrijnen en woorden in vreemde talen. Sommigen van hen zullen vandaag vlinders in hun buik voelen, anderen pijn. Ik vraag me af welke les er aan hun verliefde of gepeste regenpakken blijft hangen als ze vanmiddag terug naar huis fietsen.

Daar passeert een lijzige jongen van 13 die ijverig voor een proefwerk geschiedenis heeft geleerd om er straks achter te komen dat hij zich over de verkeerde leerstof heeft gebogen. In een uiterste poging om de dag van de ondergang te redden zal de jongen tijdens het tweede uur zijn geschiedenisschrift onder zijn werkboek Duits schuiven zodat hij zichzelf nog één lesuur de tijd kan geven om iets van zijn proefwerk te maken. De leraar, een nijverige Duitser, zal de proefwerkpaniek, verpakt in onrust, snel bij de jongen opmerken en in een poging om ‘m alsnog bij zijn les Duits te houden neemt hij het heimelijke geschiedenisschrift in beslag. Als hij twee naamvallen later de jongen opnieuw betrapt, dit keer met geleende aantekeningen over de renaissance op zijn schoot, zal de maat vol zijn. De aantekeningen worden ter lering (en vermaak van enkele klasgenoten) verscheurd en de jongen mag zich gaan melden bij de teamleider van de school waarbij hij later die middag, voor straf, een uur zal moeten nablijven. 

Tijdens het muisstille proefwerk, het is het derde uur, verklappen z’n veel te warme wangen hem dat zijn gemiddelde cijfer voor geschiedenis een vrije val gaat beleven.

 “Ha lieverd! Wat zie je eruit en wat ben je laat, je zou toch om drie uur thuis zijn vandaag? Hoe ging je proefwerk?”

Pas net 13 jaar, en al zoveel uit te leggen.

Het aftellen is begonnen

Aftellen doen we  inmiddels in grootheden van een week. Nog zeven weken, nog zes weken. Het schiet al op. We zijn in de fase aanbeland waarin we zoetjesaan afscheid nemen van mensen. Vrienden en familie die we niet meer gaan zien voor vertrek knuffelen we net even langer als we ze gedag zeggen. 

Nicole telt niet alleen af in weken. Ook haar ‘loopjes’ worden afgeteld (Drechtloop, Safaritrail…) en uiteraard haar werkdagen bij het AVL. Voor mij zijn er de oefensessies en studiodagen met mijn band KOLBAK die ik aftel. 

We tellen af in loopjes, werkdagen en sessies omdat dit dingen zijn die we heel erg gaan missen. Dan gaat het niet om het hardlopen, werken of musiceren an sich, maar om de mensen met wie we dit doen. Het zijn de hardloopmaatjes, de collega’s en de bandleden die we gaan missen.

Als wij in de ochtend van 23 februari vertrekken, zal dat gepaard gaan met twee soorten gevoelens. Een droevig gevoel omdat wat we achterlaten te waardevol en belangrijk voor ons is om het graag te verlaten. En een vreugdevol gevoel, omdat wat er voor ons ligt zo’n grote aantrekkingskracht heeft dat we niet anders kunnen dan ons er enorm op verheugen.

Zes gevoelige snaren

(voor Cor en Gré Mak, ter nagedachtenis van Ritchie)

Het tocht een beetje in café Halfweg. De deuren van de dorpskroeg staan aan twee kanten open. Ik voel de zomer in mijn rug vertrekken. 

Net als de jonge serveerster de keuze voor het avondmaal voorlegt (“Wilt u een hamburger of drie stokjes saté?”), neemt de laatste zonnebries een oude bekende met zich mee. Cor Mak. 

Cor ziet me zitten en begroet me met volle woorden en op een volume dat bestemd is voor grote groepen. Ondertussen monstert hij mijn tafelgenoten. “Tijd niet gezien, vriend! Hebben jullie familiedag ofzo? Ik zie allemaal Schoutens!” Ik zeg hem dat we inderdaad een familiedag hebben en probeer tegelijkertijd in te schatten hoeveel Cor heeft gedronken. 

Cor maakt een nuchtere indruk.

Het meisje van het café staat met een afhangende heup en een notitieboekje te wachten op mijn keuze voor hamburger of saté. Ik houd haar niet langer op en kies voor saté. 

Cor loopt door naar het terras van café Halfweg. Ik kijk hem na en vraag me af of hij rookt. (Dacht het niet.)

Terug bij de familie, heb ik het met mijn oom Theo kort over het onbeschrijfelijke leed dat Cor 2 jaar eerder is overkomen. Hij verloor toen zijn jongste zoon Ritchie. Een auto-ongeluk tijdens een stapavond werd ‘m fataal. De jongen is net geen 22 jaar geworden.

Nadat ik de slechtste saté ooit heb gegeten, duikt Cor voor de tweede keer achter mijn rug op. Opnieuw met luide en joviale stem. Hij beschrijft in het kort onze lange vriendschap, die we voornamelijk op en rond de tennisbaan beleefden.

Cor is geen spat veranderd, merk ik. Nog immer goedlachs en voor iedere gelegenheid heeft hij een goed verhaal en een gulle lach paraat. 

Als we even later een tweetal oude koeien op het droge hebben begint Cor, gek genoeg, over zijn Fender Stratocaster, een elektrische gitaar. Hij doet er niets meer mee maar verkopen op marktplaats levert nauwelijks iets op dus hij bewaart ‘m liever, zegt hij. Even later nemen we afscheid.

Aan de lange familietafel denk ik nog even na over de ontmoeting met Cor. Mijn gedachten blijven steken bij de Fender Stratocaster gitaar. En dan valt het kwartje.

Cor speelde vroeger gitaar en had grote bewondering voor Ritchie Blackmore van Deep Purple. Zijn jongste zoon vernoemde hij zelfs naar de virtuoos die sinds jaar en dag speelt op een Fender Stratocaster. Geen wonder dat hij de gitaar niet van de hand doet. Die Strat is meer dan een gitaar. Het is een herinnering aan zijn verongelukte zoon. Een houvast met zes gevoelige snaren.

In gedachte zie ik Cor voor me met de Stratocaster op schoot. Met een brok in zijn keel slaat hij een stroef E-akkoord aan. Van de E kruipt hij als vanzelf naar de A en de B. Een eenvoudig bluesschema was nog nooit zo moeilijk om te spelen. Hij voelt het direct. Voor het eerst speelt hij met zijn hart.

Die gitaar krijgt een ereplek.

Decembersneeuw (een kerstherinnering voor Joost)

Het is de tijd van de millenniumwende. Heel even woon ik anti-kraak in Hilversum. In een roestbruine huishoudschool aan de Larenseweg. Afbeeldingen van naald en draad op lichtgeel glazuren wandtegels en de achtergelaten paspoppen naast stoffige werktafels verwijzen naar een bedrijvigheid die voorgoed in stilte is gekleed.

Ik dwaal met een van de paspoppen onder mijn rechterarm door de lege gangen en klaslokalen, op zoek naar manieren om huisgenoten aan het schrikken te maken. 

De paspop in kwestie

Mijn drie huisgenoten zijn er niet.

In een van de klaslokalen op de begane grond woont mijn beste vriend Joost. Met hem breng ik de meeste tijd door en samen hebben we er een gewoonte van gemaakt elkaar de stuipen op het lijf te jagen door werkloze paspoppen, voorzien van ons beider garderobe, in donkere hoekjes of achter stille deuren op te stellen. We leven continu op onze hoede in de huishoudschool want de schrik die je bij zo’n valstrik om het hart slaat is van het ergste soort. Deze huivering vervloeit echter direct in de vrolijkste vorm van opwinding die het zoeken naar een nóg angstaanjagendere hinderlaag met zich meebrengt.

Op de benedenverdieping hebben we alle duistere hoekjes en deuren al eens van gedaantes voorzien. Ik beklim de donkere granieten trap met fossiele afdrukken erin, naar de eerste verdieping. Buiten ligt de Larenseweg onder een dun laagje sneeuw. 

De trap, die meisjes heeft gezien als in puberdromen, brengt me naar onbekend terrein. Bovenaan de trap bevindt zich de verdieping van de ‘twee huisgenoten die wij niet kennen’. Ik verken het onbekende om er kolossale paspoppen-angst te verspreiden en beweeg me daarbij op overduidelijk heimelijke wijze. Beneden mij zie ik de pop tegen de trapleuning staan. Gekleed in trainingsbroek en ‘hoodie’ houdt ze, want haar vormen zijn herkenbaar vrouwelijk, onbewogen wacht. 

Het zwart van de traptreden verdiept zich naarmate ik hoger kom. Helemaal boven is het aardedonker. Even overweeg ik mijn onderneming te staken maar mijn hand grijpt reeds gretig om zich heen; tastend naar een lichtknop. De koude muur geeft geen schakelaar prijs op de voor de hand liggende plek. Als even later mijn ogen het donker kunnen lezen, laat ik het erbij en stap verder de duisternis in.

Eigenlijk is het al voldoende om de paspop op te halen en hierboven in het schaduwrijk neer te zetten, bedenk ik. Gewoon bovenaan de trap, een paar meter de gang in, is voldoende om van de pop een schemerig figuur te maken. Je schrikt je werkelijk het apelazarus als je de schim gewaarwordt, zo stel ik me voor. Bij die gedachte schiet er een kille huivering door me heen. Ik vind het griezelig worden.

Lichtvoetig en vervuld met de adrenaline van opwindende opluchting, trippel ik de trap af en sleep de pop naar boven. Razendsnel geef ik haar een plekje aan de rand van de duisternis en in de buurt van de kamerdeuren van onze onbekende huisgenoten. Ik schik haar buigzame armen, kantel haar heup en maak van de pop een levensechte schaduw.

Even later ben ik terug in mijn woonkamer achter in de school, die in oude tijden dienstdeed als werkkamer van de directeur. Ik plof met verhoogde hartslag neer op mijn kringloopbank. Voorpret maakt zich meester van me.

En dan is het plotseling gedaan met de voorpret. Ik begin me af te vragen of onze huisgenoten er de humor wel van in gaan zien. Het is toch een soort lugubere grap die helemaal verkeerd kan vallen, bedenk ik. ’Leven en laten leven’ is de ongeschreven regel hier in de voormalige huishoudschool. Met een logge paspop ga ik die regel nu te lijf. Bovendien bestaan er verhalen van mensen die zich letterlijk dood schrikken dus stel je voor.

De grap lijkt nu, zo’n vijf minuten later, ineens een heel slechte. Ik besluit de pop vlug weg te halen nu ik nog alleen in de school ben. Omdat iedere seconde telt om de zieke streek ongedaan te maken, spring ik op mijn vouwfiets en snel door de lange gang van de directiekamer naar de entree van de school. Aan het einde van de gang, én bij de zware bruine voordeuren, laat ik een lang rubberzwart remspoor op de gladde tegelvloer achter. Voor de grote granieten trap spring ik van de fiets en sprint naar boven alsof de duvel me op de hielen zit.

In het donkere gat van de gang gun ik mijn ogen onvoldoende tijd om te zien. Onrustig zoek ik naar het silhouet van de paspop. Met gestrekte armen loop ik naar de plek waar ik de schim had achtergelaten. Ik stuit op een muur, draai me om, en zie met het beetje licht uit het trapgat dat de pop is verdwenen. Direct merk ik dat slikken niet meer goed lukt.

Stilletjes en met de schrik van de betrapte dief in mijn lijf, beweeg ik me naar het licht.

Beneden bij de entree kijk ik, door het kleine raampje naast de massieve deuren, naar buiten. 

Nergens zie ik een voetafdruk in de donzen decembersneeuw.

Translate »