• info@pedalenenverhalen.nl

– Blog

De goden verzoeken

In Mai Chau heb ik eens naar de route en het aantal kilometers gekeken die we in Vietnam zullen gaan fietsen. Niks ligt vast zoals altijd, maar het is leuk om een plan te hebben. Mede door tips van mijn ouders die al eens in Vietnam zijn geweest en fietsers die we onderweg zijn tegengekomen is er een globale route ontstaan. Het blijkt vanaf Mai Chau zo’n 3500 km fietsen. Dat had ik niet verwacht. We hebben een visum van 3 maanden voor Vietnam en zijn niet van plan om te gaan racen. Dat gaat zeker in het noorden niet, want daar moeten we flink klimmen. Ach we kunnen altijd een stukje de bus nemen als we het niet redden.  

Op donderdag vertrekken we met regen uit Mai Chau. We zijn wat later dan anders, want er moet eerst weer een band geplakt worden. Net als gisteren staat de achterband van Dennis lek als we willen vertrekken. De dag ervoor heeft hij zijn binnenband verwisseld voor een nieuwe. Een hakitakkiemerk uit China, gekocht in Tadzjikistan. Na een rondje door de rijstvelden heeft het ventiel het al begeven. 

Mijn ouders vliegen eind november naar Kuala Lumpur en zullen ons ergens onderweg opzoeken. We hebben hen gevraagd wat fietsspullen mee te nemen. Onderdelen zijn hier moeilijk te krijgen, en als ze er al zijn, is de kwaliteit hier een stuk minder goed, dus een paar nieuwe buiten en binnenbanden zijn meer dan welkom. Ik zeg tegen Dennis dat het verstandig is deze spullen te gaan bestellen zodat alles op tijd bij mijn ouders is. Ik heb het nog niet gezegd of er begint iets hard te tikken bij Dennis zijn achterband. We stappen af en ik hoor: ”Dit is echt een serieus probleem”. Ik denk meteen dat er wat met de Rohloff naaf aan de hand is. Dit is niet zo. Er zit een joekel van een scheur in de achterband. En de buitenband puilt eruit. “Nee, niet weer!” Toen we 2500 km onderweg waren gebeurde het al eens. Toen met kwaliteitsbanden waarop Dennis was vertrokken (Schwalbe). Productiefoutje? Ik fiets met hetzelfde merk banden, weliswaar een ander type, maar ik heb geen problemen. 

Ik kan helaas niet meer zeggen dat ik nog geen lekke band heb gehad. Mijn achterband was lek na onze vlucht van Osh naar Hanoi. De fietsen waren verder gelukkig ongeschonden uit de strijd gekomen. De banden moet je vanwege de druk in het vliegtuig leeg laten lopen. En nadat we ze hadden opgepompt en de volgende dag wilde vertrekken stond mijn achterband plat. Terwijl ik er geen meter mee had gefietst. Ik was nog wel zo trots dat ik in die 9250 afgelegde kilometers niet 1 lekke band had gehad! 

Daar sta je dan in de regen met een gescheurde buitenband 13 km van de plaats van vertrek. Wat doen weg. Terug? Eigenlijk niet echt een optie, want een fietsenwinkel zat er niet in de plaats waar we vandaan kwamen. Ik zie dat er in Son La, 170 km verderop, een Giant fietsenwinkel zit (althans, er staat Giant op de gevel van de winkel). Dat klinkt hoopvol. 

We besluiten onze duim omhoog te steken en bij het tweede kleine vrachtwagentje is het raak. Een vriendelijke jongeman stopt en doet het raam open. Hij spreekt geen woord Engels en wij geen woord Vietnamees. Internet werkt niet, dus we kunnen google translate niet gebruiken. Ik wijs naar de fietsen en zeg Moc Chai, Son La? Moc Chai ligt 50 km verderop. Wie weet is daar ook wel een achterband te vinden. Het vrachtwagentje wordt geopend en de fietsen ingeladen. Tussen de piepschuim dozen worden ze netjes gestut. 

Quan Nguyen, onze redder in nood

Quan Nguyen is 30 jaar en vervoert dagelijks bloemen van Moc Chau naar Hoa Binh. Hier komen we later achter als we weer signaal hebben en google translate kunnen gebruiken. De eerste 45 km praat hij Vietnamees en wij Nederlands. Hij gaat tijdens het rijden wel even live op Facebook. We hebben liever dat hij op de weg let, maar hij wil zijn ervaring blijkbaar graag met al zijn vrienden op Facebook delen. Hij belt met een vriendin die Engels spreekt en Dennis legt uit wat het probleem is. Als we Moc Chau naderen geeft hij aan dat we eerst moeten eten en dan gaat hij ons helpen een nieuwe band te vinden. Ik eet noedels met groenten en Dennis en Quan eten een zalm hotpot. Dat is een grote pan met bouillon waar je van alles in kan gooien. Vlees of vis, groente, tofu en mie. 

Zalm hotpot met cola

Na het eten zien we heel Moc Chau. Quan vindt een aantal fietsenwinkels, maar de grote bandenmaat van Dennis hebben ze niet. We geven aan dat hij ons eruit mag zetten en dat we verder zelf naar een oplossing zullen zoeken. Mogelijk hebben we meer geluk bij de ‘Giant’ winkel in Son La. Hij is zo behulpzaam dat hij de grote weg op en neer rijdt om een lift voor ons te regelen naar Son La. Als er een bus passeert wenkt hij de chauffeur. De bus stopt even verderop en we kunnen mee voor 10 euro per persoon. We hebben dan nog 120 km voor de boeg. Mijn fiets wordt door 2 mannen overgenomen en onder in de bus gelegd. Ik kijk maar niet hoe ze dat doen. Op hoop van zegen. Bij de fiets van Dennis moet het spiegeltje eraan geloven.

We stappen in en de buschauffeur wijst naar mijn sandalen en geeft me een zakje. De sandalen moeten uit en in het zakje. Als ik verder loop schiet ik in de lach. Iedereen ligt languit op ligbedden. We zoeken een plekje en vertrekken. Als ik even later een foto van onze ligbedden maak en deze naar mijn zus stuur, krijg ik als reactie: ”Het lijkt net alsof jullie in een Maxi-Cosi liggen.” 

Tevreden in de Maxi-Cosi

Als een baby laten we ons vervoeren en kijken naar het prachtige landschap. En het moet gezegd, dit ligt een stuk beter dan de keiharde bedden in de hotels!

Vijf kilometer voor het centrum van Son La worden we eruit gezet. Op het spiegeltje na hebben de fietsen ook deze tocht weer doorstaan. Er staat een oudere dame bij de bushalte die met haar handen een slaapgebaar maakt. Ze wil ons naar haar hotel lokken. Ik schud nee. Als het bij mij niet lukt dan maar bij Dennis proberen, denkt het vrouwtje. Dennis is nog met zijn fiets bezig en als hij niet reageert roept ze een paar keer: ”Heeee!”. Dennis had al gezien dat ik nee geschud had en zegt plotseling heel hard: ”Heeee!” terug. Ze schrikt ervan en druipt af.

Het vinden van een overnachtingsplek is in Vietnam niet moeilijk. Overal zie je Nha Nghi staan, wat Guesthouse betekent. Een kamer voor 2 personen kost ongeveer 7 euro per nacht. Ook nu vinden we er een in de buurt. Op het oog een nette kamer. Alleen de wc-bril in het toilet ontbreekt. Later ontdekken we dat er wel meer mist. In de hoek van de badkamer zit het putje waar het douchewater naar toe loopt. Deze dient ook voor de afvoer van het water van de wastafel. Deze heeft namelijk geen aansluiting maar is gewoon open aan de achterkant. Later als de badkamer naar pies begint te stinken vraag ik me af of dit ook voor het toilet geldt.

Dennis stapt ’s ochtends op mijn fiets om naar de ‘Giant’ fietswinkel 6 km verderop te gaan. Na een uur komt hij terug met een zak broodjes en smeerkaas en twee gebruikte buitenbanden. In een ervan zat zelfs nog een binnenband. Het viel niet mee deze te vinden. De verkoopster in de winkel vertelde dat ze nergens 28 inch banden hadden. In Vietnam is 27,5 inch voor een mountainbike de grootste maat die je kunt vinden. Na wat treuzelen en aandringen kwam de fietsenmaker erbij. Die bevestigde het verhaal en liep naar achteren om een 27,5 inch buitenband te zoeken. Dennis was zo verstandig om mee te lopen om zelf te kijken of er ergens niet een verdwaalde 28 inch band rondzwierf. Al struinend vond hij er zowaar twee. Weliswaar de helft zo smal als de banden die erop zitten maar ze passen in ieder geval om de velg. 

De verkoopster dacht er anders over. Volgens haar waren de banden die Dennis tevoorschijn had gehaald niet de juiste. Ze waren namelijk ’te gevaarlijk’ om mee te fietsen. Ook de monteur deed zijn best om aan te tonen dat de banden niet dezelfde maat hadden als de banden die we nodig hadden. Dennis had al eens eerder (in Bosnië en Herzegovina) moeten improviseren met een smallere standaardband dus wist dat deze tweedehandsjes hem uit de brand zouden helpen. Hij werd dus een beetje ongeduldig van alle pogingen om hem van de koop te laten afzien. Hij pakte beide banden en schoof ze over zijn hoofd om duidelijk te maken dat de banden met hem mee de winkel uit gingen. De verkoopster gaf zich hierna over en liet Dennis 4 euro betalen voor de binnen- en twee buitenbanden.  

Bijna in orde

Als Dennis de fiets in orde heeft gemaakt vertrekken we richting centrum. Daar doen we een bakkie en koop ik wat boodschappen in de supermarkt. We lummelen nog wat. Gaan we verder of niet? We besluiten nog een dagje in Son La te blijven en gaan op zoek naar een onderkomen. 

Als we ’s middags naar de koffiebar aan de overkant willen lopen, ik om dit verhaal te schrijven en Dennis om te schrijven en te lezen, komt hij erachter dat zijn notitieboekje en pen nog in het pies-hotel moeten liggen. We fietsen erheen en het ligt netjes bij de receptie te wachten. Het was dus niet voor niets dat we nog een nachtje zijn gebleven

Fietsend tussen de rijstvelden

Vietnam, het land van de harde bedden! Daar is niets aan gelogen. Gisteren heb ik een formulier voor ons guesthouse in moeten vullen. Ik heb het A-4tje volgeschreven met ons matras als ondergrond. Verder niets. Met balpoint. Niet 1 keer met de punt van de pen door het papier geprikt. Zelfs niet bij mijn handtekening. Zo hard zijn de matrassen in Vietnam. We slapen er prima op omdat we moe zijn van het fietsen maar ik merk dat ik vannacht op mijn zij heb gelegen. Ik heb een pijnlijke schouder. Na wat navraag bleek Nicole ook een pijnlijke schouder te hebben. 

We verbijten de pijn en pakken onze fietsen om op zoek te gaan naar een ontbijtje met koffie. We zijn gisteren in Mai Chau aangekomen, 140 kilometer ten zuidwesten van Hanoi en we moeten het plaatsje nog verkennen. Dit zullen we te voet moeten doen want mijn achterband staat plat en die ga ik niet plakken op een lege maag. 

Na een korte wandeling vinden we zoete broodjes en koffie met ijsklonten. Dit blijkt genoeg voeding om de achterband te repareren. Als we dan even later toch door de rijstvelden fietsen, zien we voor het eerst echt hoe mooi de omgeving hier is. We hebben er twee dagen over gedaan om van Hanoi naar Mai Chau te fietsen maar hebben niet veel achterland gezien. Links en rechts van de weg waarop we fietsten was het grotendeels bebouwd en we moesten tussen de huizen door kijken om de achterliggende akkers te zien. 

Als we na anderhalve dag fietsen de bergen in klimmen worden we eindelijk door de groene natuur omarmt. We hebben dan al een tropische regenbui te verwerken gekregen maar eerlijk gezegd werkte die verkoelend. De warmte in Vietnam is niet te vergelijken met die van de -stan landen. Hier in Vietnam begin ik al te zweten als ik naar mijn fiets kijk. En niet zo’n klein beetje… Het zweet loopt met liters tegelijk in een constante stroom langs de klep van mijn pet, via het frame van mijn fiets op straat. Mijn shirt en broek zijn doorweekt en glimmen van het zweet alsof ik zojuist vanuit het water op het droge getrokken ben. En zo voel ik me ook. De hele dag door.

De berg van die middag blijkt 700 meter hoog. En al na tien meter met een klimpercentage van 6% loop ik leeg. Letterlijk en figuurlijk. Dat zweten is een nieuwe dimensie voor me. Ik moet daar nog even aan wennen merk ik. 

Die berg ligt inmiddels weer achter ons. Zo gaat dat met fietsen. Voordat de volgende berg (nog steiler en hoger) zich aandient nemen we een rustdag en die brengen we dus hier, tussen de rijstvelden van Mai Chau, door. 

fietsen tussen de rijstvelden

We fietsen via de rijstvelden per ongeluk naar een klein dorpje dat tussen de bergen verstopt ligt maar dat toeristen desondanks feilloos weten te vinden. Ze worden er namelijk met bussen tegelijk gelost en lopen een door gidsen geleid rondje langs diverse tafels met handwerk en ander toeristisch gerei. De traditionele huizen zijn er van donker hout en staan op palen maar om dat te zien moet je goed kijken want koelkasten met blikjes cola, vriezers met ijsjes en terrassen met grote menu-borden schreeuwen harder om aandacht. En dan is er ook nog de alom aanwezige wifi. Voor als je even helemaal geen zin hebt in omgeving.

We fietsen snel verder.

Vlinders. We zien prachtige vlinders zo groot als vogeltjes. Ik moet aan Erik Beishuizen denken als er een prachtexemplaar enkele meters met me op vliegt. Alsof ie aan een touwtje zit. De lange staart maakt het beeld compleet. Ik zie een vlieger voor me en dan denk ik automatisch aan Erik. Erik was in een eerder leven gepassioneerd verkoper van vliegers. Tot de zaak failliet ging. Nu verkoopt hij platte tv’s en die schijnen aanzienlijk harder de winkel uit te vliegen.

Ik heb hier in Vietnam aan meer mensen ‘van thuis’ moeten denken. Een ervan is Coen. Aan Coen moest ik denken toen ik in Hanoi ambachtelijk fraai gevouwen ansichtkaarten zag. Coen is een vriend en oud-collega waarmee te lachen valt. 

Toen Nicole me gisteren vroeg wie ik van mijn vrienden óók in staat achtte zo’n reis als de onze te ondernemen, riep ik direct ‘Coen!’. Misschien was ik zo stellig vanwege het woord ‘ondernemen’ in de vraag. Coen is leraar economie maar daarnaast, en vooral, een ondernemer in hart en nieren. Hij koopt en verkoopt bij voorkeur zaken die je handig op kunt vouwen. Zo kent hij de markt der vouwfietsen als zijn broekzak. Toen de winstmarges van de opvouwfietsen kleiner dan de fietsjes zelf werden, schaalde Coen, flexibel als hij is, óp en ging in de vouwwagens. Net zo makkelijk! (In zijn tuin staat ook nog een opvouwmotorboot. Niet gelogen!) Toen we nog collega’s waren op het Visser ’T Hooft Lyceum in Leiderdorp, riep ik tegen iedereen die het maar wilde horen: ‘Coen is een topgozer, daar kun je op vouwen!’

Eerlijk gezegd komen jullie allemaal langs in mijn gedachten. Dat is helemaal niet moeilijk als je duizenden kilometers fietst. Ik heb de tijd om aan ieder van jullie te denken en doe dat naar hartenlust. Ook denk ik veel aan mensen die er niet meer zijn, mensen waar ik geen nieuwe herinneringen meer mee zal maken. Van hen koester ik de oude des te meer. En dat lukt prima hier tussen de rijstvelden van Vietnam!

Vliegen met fietsen

Ik doe mijn fiets op slot en de tijd loopt. De missie is duidelijk. We hebben twee dozen nodig voor onze fietsen want deze nacht pakken we het vliegtuig richting Moskou en daarna naar Hanoi. De fietsen moeten stevig verpakt worden. Een plastic zak, zoals we die hadden toen we vorige zomer met de fietsen naar Canada vlogen, lijkt ons onvoldoende voor een vlucht met overstap en uitgevoerd door het Russische Aeroflot (waar ze, als ik andere fietsers moet geloven, met fietsen schijnen te smijten).

De tijd loopt.

Nicole past op de fietsen en ik stap het speelveld binnen; een winkelcentrum dat inderdaad bestaat uit talloze winkels maar bepaald niet in het centrum van Osh staat. Een tipgever heeft ons op het hart gedrukt dat dit de plek is om fietsdozen te scoren. We gokken het erop. 

Dit is niet ons eerste winkelcentrum waar we ons geluk beproeven want een dag eerder gingen we vol goede moed naar een winkelcentrum dat wel in het centrum van Osh was gelegen. We waren er al eerder geweest en hadden bij een soort MediaMarkt om twee fietsdozen gevraagd. Bij het stellen van de vraag lonkte ik naar de glimmende rij fietsen bij de ingang. Ze stonden er mooi bij. Van mountainbike in grootte aflopend naar een klein felgekleurd driewielertje. De doos van de grootste mountainbike zou ons van dienst kunnen zijn, liet ik weten. Dat waren de fietsverkopers eveneens want ze wisten ons via een Engelssprekende collega van de afdeling ‘krultangen en overige scheertoestellen’ te vertellen dat er de volgende dag een nieuwe lading fietsen werd geleverd. Gewoon op zondag. Ze zouden met plezier twee grote dozen voor ons apart houden.

Gisteren gingen we die twee dozen dus ophalen. Vervelend was het dat niemand van het personeel op de werkvloer hetzelfde was als afgelopen zaterdag. Zelfs het meisje van ‘krultangen en overige scheertoestellen’, dat zo lekker Engels sprak, had een vrije dag. De jongens van de fietsen waren in geen velden of wegen te bekennen. Ik was aangewezen op een meisje dat op de rustige maandag de verantwoording van zowat heel de winkel had. Ze sprak geen woord toeristisch en de senior collega die ze in allerijl raadpleegde zat zo lekker onderuitgezakt achter een bedrijfslaptopje dat ik van verre al kon zien dat zijn antwoord op iedere willekeurige vraag die zijn logge lijf in beweging zou brengen, nee zou zijn. 

We wisselden wat woorden uit via Google Translate maar dat mocht niet baten. Er waren ondanks de belofte geen dozen, tenzij ik de fiets die erin zat erbij kocht. Ik overwoog enkele koel vriescombinaties die tegen een blinde muur stonden omver te trekken maar besloot mijn schouders op te halen en verliet de tent. Nicole kon haar teleurstelling niet goed verbergen toen ze me zonder fietsdozen de ‘MediaMarkt’ uit zag komen. “Das ook lekker!”, zei ze. En daarmee sloeg ze de spijker op z’n kop.

Nu dus nieuwe kansen bij het winkelcentrum buiten het centrum. Hier moest het gebeuren. Ik besloot eerst een verkennend rondje te lopen langs de meubel- en witgoedwinkels. Het rondje stemde me hoopvol. Na een minuut of tien had ik alle hoeken en gaten besnuffeld en liep terug naar het hoofdkwartier bij de fietsen om verslag aan Nicole uit te brengen. Ik kon haar twee opties voorleggen. Ik had enorme lege dozen gespot bij de witgoedhandelaar. De dozen waren van koel vriescombinaties van minstens twee meter. Daar viel wat van te knutselen. 

De tweede optie was een mindere maar toch het vermelden waard. Bij de bankenpecialist lagen in de hoek (bij de hoekbanken) tientallen lege plastic zakken van zware kwaliteit want eens beschermde ze de afzichtelijke (hoek)banken die compleet fantasieloos stonden opgesteld in een veel te grote ruimte. Alleen de zakken leken ons onvoldoende maar als de fietsen in dozen werden gepakt en vervolgens konden worden voorzien van de zware bankzakken, dan waren we spekkoper. 

Nicole hoorde mijn opties instemmend knikkend aan. “Ga maar halen”, zei ze. “Doe ik!” was mijn kordate antwoord. Ik liep opnieuw het centrum binnen en liep recht op mijn doel af; de koel vriesdozen. Ik trof bij de dozen een grote verkoper aan en vroeg hem of hij me kon helpen aan twee van zijn nog grotere dozen. Dat kon hij onmogelijk want die dozen waren van de showmodellen en als die werden verkocht konden ze ‘huppekee’ terug in de dozen, zo was het verhaal. Ik was er al bang voor. Ik liet me niet kisten en vroeg door. “Kunt u me misschien de plek wijzen waar jullie winkeliers het karton weggooien, een container misschien?” De man zwaaide een hand door de lucht die mij duidelijk maakte dat ik moest volgen. We liepen van het witgoed naar de banken (in mijn ooghoek zag ik de lege plastic zakken tussen de hoekbanken lonken. Ze moesten nog even wachten) en dwars door een lampenwinkel naar een deur achteraf. Door de deur kwamen we in een gangetje tussen enkele winkels. Het gangetje was bezaaid met dozen. Tot mijn vreugde zag ik er enkele zeer grote tussen. Enthousiast begon ik eraan te trekken en greep twee dozen die me bruikbaar leken. Ik bedankte de man voor zijn hulp. Hij had me werkelijk zeer goed geholpen, liet ik hem weten.

Tot hij de woorden uitsprak die mijn broek deden afzakken. Ik was er meteen klaar mee. De man van het witgoed vroeg me in het halletje van de lampenwinkel wat ik bereid was te betalen voor de dozen. Ik liet de dozen vallen alsof ze mijn vingers brandden. “Oh no!”, zei ik. En liep direct het halletje uit, onder het met lampen bezaaide plafond hield ik stil en keek nog een keer vragend naar de man van het witgoed. “Are you serious?”, vroeg ik oprecht verbaasd. De grote verkoper trok zijn schouders op en zei me dat de dozen niet van hem waren dus… Mijn verbazing werd nóg groter. “Dus die dozen zijn niet van jou maar jij vraagt mij er wel geld voor?”. Hij trok nog maar eens een keer zijn schouders op.

Geen dozen dus.

Plan B. De dikke plastic zakken bij de meubelzaak. 

Net voor ik de meubelzaak betrad liepen de twee jongens die er werkten de deur uit met ieder een kant van een hoogslaper in de handen. ‘Handel’, dacht ik. Ik besloot even te wachten tot ze terugkwamen en nam ondertussen een kijkje bij de dikke zakken. Ik koos er voor het gemak vast twee uit die me geschikt leken en stopte ze in elkaar zodat ik ze bij een akkoord direct mee kon nemen. Ondertussen keek ik slinks naar de deur in de lampenwinkel. De deur naar het halletje met de dozen. De twee dozen die ik in bijzijn van de witgoedman had uitgekozen stonden nu vooraan. Voor het grijpen! ‘Zal ik het doen?’, dacht ik. Het is zo gepiept en er was niemand in de lampenwinkel. Sterker, er was ook niemand in de meubelwinkel dus als ik daadkrachtig optrad, liep ik de deur uit met mijn twee klaarliggende plastic zakken en mijn twee klaarliggende grote dozen. Ik gebruik twee keer het woord mijn, ik beschouwde het verpakkingsgoed dus al als mijn eigendom. Bovendien was er in geen geval sprake van diefstal. Het was restmateriaal. Ik was hoogstens te betrappen op recycling!

Toch durfde ik de dozen niet uit het halletje te halen. 

De plastic zakken greep ik wel uit de hoek. Die gasten van die hoogslaper waren nog steeds niet terug en ik stond inmiddels wortel te schieten. Ik had het ze heus wel gevraagd als ze terug waren gekomen maar er was niemand die me kon helpen dus ik ging verder uit van het principe ‘selfservice’. 

Met twee armen vol plastic liep ik het winkelcentrum uit en presenteerde de oogst aan Nicole. We hadden nu tenminste iets en hadden niet voor niets de 4 kilometer naar het winkelcentrum afgelegd. 

Maar ik was nog niet klaar. Ik zag nóg een kans en liet het plastic bij Nicole achter om me nog één keer in het hart van het centrum te begeven. Ik had een trap gezien die naar een zwart gat afdaalde. Bovenaan de trap stond een emmer met een ’soppie’ waar iets te vaak een dweil in was uitgeknepen. Het water zag donkergrijs, net als het trapgat. Verder geen teken van leven. Ik nam de treden naar beneden en had al snel de zaklantaarn van mijn mobieltje nodig om mijn weg naar de diepte te vervolgen. 

Mijn vermoeden was juist geweest. Onderaan de trap, in het pikzwarte gat, lagen talloze dozen. Stuk voor stuk naar beneden gesodemieterd. Op mijn gezicht verscheen een glimlach die voor niemand zichtbaar was. Ik kroop over de eerste dozen en keek zover de lichtbundel van mijn mobiel reikte. Overal waar ik keek lag karton maar nergens een stuk dat groot genoeg was om een fiets in te pakken. Ik begon combinaties van meerdere kleine dozen om onze fietsen te overwegen. Patchwork. Plastic erover en klaar. Niet ideaal maar je moet wat. Ik kroop terug naar de eerste dozen. Dit bleken de grootste te zijn in de donkere kelder. Ik hield een doos in de lucht om de dimensies eens goed in te schatten toen mijn oog op de achterliggende muur viel. Daar zag ik grote stukken karton in lange repen en keurig voorzien van een lint die de repen als geheel bij elkaar hield. Dit had iemand speciaal voor ons klaargezet, dat kon niet anders want mijn timmermansoog zag direct dat daar precies twee fietsen in pasten. Ik kroop ongeduldig terug over de dozen naar de schat tegen de muur. Gehaast alsof er uit het duister van een andere kant snel iemand kon opdoemen die zijn oog ook op de grote repen karton had laten vallen. Die moest ik wel voor zijn. Ik greep naar het lint en voelde aan het gewicht direct dat mijn missie was geslaagd. 

Heerlijke stroken karton
Lijkt wel een kadootje!

Ik liep de kerker uit met een keurige verzameling karton onder mijn arm en hoopte heel hard dat ik de geldbeluste witgoedverkoper tegen het lijf zou lopen. Als ik fictie zou schrijven had ik de scene geschreven maar helaas. Ik kwam de man niet tegen. Wel liet ik ieder ander mijn tevreden blik zien zoals ik ‘m ook de witgoedman zou hebben getoond. Ook Nicole zag mijn blik en beantwoordde deze met een zelfde tevredenheid. We konden inpakken!

P.S. Ik schrijf dit verhaal op het vliegveld van Moskou waar we wachten op onze vlucht naar Hanoi (Vietnam). Onze fietsen bevinden zich ook ergens op het luchthaventerrein. Stevig ingepakt in karton en dik plastic.

(We zijn terug uit) De Bartang Valley

Ik kijk uit het raam en zie een Joert. De wind speelt ruw met enkele leemkleurige lappen stof die het dak van de ronde nomadentent bedekken. De wind heeft hier zo vlak over de grens van Tadzjikistan, in Kirgizië, vrij spel en heeft ons er gisteren op weg hiernaartoe flink van langs gegeven. 

Achter de Joert vormen de besneeuwde bergtoppen een winters decor dat adembenemend mooi is. Het is een voorrecht om in een rustig tempo door dit decor te mogen fietsen. 

Blik op de ‘Bartang Valley’

De afgelopen week hebben Nicole en ik de ‘Bartang Valley’ gefietst. Dit is een van de routes dwars door het Pamir gebergte. We hebben ‘m van Rushan naar Karakol gefietst. Dit wordt gezien als de zwaarste route door het Pamir gebergte omdat je bergop fietst maar ook veel bergop moet duwen. Velen vinden het de mooiste route en dat is de reden voor ons om eraan te beginnen. 

In Rushan kopen we voedsel voor 8 dagen (vooral pasta) en slaan even later de drukke M41 af. De rust is direct voelbaar. Nog enkele kleine dorpjes wekken de indruk dat je niet alleen op de wereld bent, maar dat is voor korte duur. Mensen en auto’s ruilen we in voor een rivier die al eeuwenlang haar weg zoekt tussen de Pamir bergen. Die rivier en haar kleine stroompjes voedende smeltwater, voeden ook ons gedurende 7 dagen. Het koude, heldere, water dat van de bergen in kleine stroompjes de rivier bereikt lest onze dorst tijdens het fietsen en kookt onze pasta die ons voorziet van de energie om door de vallei en tegen de bergen op te fietsen. 

We hebben al snel in de gaten dat je veel energie nodig hebt om de 300 kilometer door het hooggebergte succesvol te doorkruisen. De gehele route is onverhard en de eerste dag lukt het ons om 40 kilometer af te leggen. We fietsen en duwen over combinaties van zand, keien, klei en leisteen. De eerste twee zijn het zwaarste te berijden. In het zand zak je zo zwaarbeladen diep weg waardoor je moet oppassen dat je niet onderuitgaat. Duwen is vaak de enige optie en is loodzwaar. De keien laten je stuiteren en doen een aanslag op je fiets en je polsen. Klei is, mits droog en hard, de beste optie maar de slechtste indien nat en drassig. Over stukjes leisteen rijden kun je het best vergelijken met fietsen over een grindpad.

Grillig en imposant

Je moet je ongelooflijk concentreren tijdens het fietsen. Je stuurt onafgebroken van links naar rechts om het beste pad te kiezen en moet inschatten waar je op de pedalen moet gaan staan om de klappen met je benen in plaats van met je kont op te vangen. Dit laatste doe je vaak als het even bergaf gaat en je wat snelheid maakt. Het meeste gaat zoals gezegd bergop en we komen dagelijks dan ook niet veel verder dan gemiddeld ergens tussen de 5 en de 10 kilometer per uur.

Op momenten dat je stilstaat of even een stukje goede kleiweg hebt, kun je rustig om je heen kijken. Wat je dan ziet is niet minder dan adembenemend. Berghellingen alsof ze met fijne kwasten zijn geschilderd in de prachtigste crème tinten. Na een volgende bocht in de rivier lijken de penselen weer in dieprood of paars te zijn gedoopt. 

De natuurlijke processen van erosie en sedimentatie bepalen voor een groot deel de loop van de weg. Hier en daar zijn stukken weg verdwenen onder stapels keien of leisteen dat van de hoge toppen is afgebrokkeld en in enorme hoeveelheden over de weg zijn gespoeld. Soms zó ver dat de weg deels door de rivier moet worden omgeleid.

Waar weg en rivier één worden

Ook de tweede dag door de Bartang vallei is prachtig. De kleurschakeringen in de bergen, de besneeuwde toppen en de uitdagende weg heeft ons nu echt goed in de greep. We fietsen er steeds moediger en handiger doorheen en weten 57 kilometer te fietsen. Ook weten we dat het vanaf dan steeds pittiger wordt. We moeten steiler omhoog naar uiteindelijk 4058 meter. De kleine dorpjes met boeren die je binnenhalen voor thee, geitenmelk en brood worden spaarzamer. We zullen weldra volledig op onszelf aangewezen zijn.

De laatste boer die we ontmoeten verzamelt het graan en schenkt ons thee en geitenmelk

En zo worden de afstanden per dag wat korter. De derde dag weten we nog 37 kilometer af te leggen maar een dag later zijn het er nog maar 27. De Bartang begint z’n tol te eisen. Ik kan geen droog brood, noedelsoep en pasta meer zien maar eet toch, wetende dat ik alle energie nodig heb voor de komende dagen als het nog een stapje moeilijker gaat worden. We zijn namelijk voorbij Gudara, halverwege de vallei. Dit is het allerlaatste plukje huizen, hierna is er 150 kilometer geen mens meer te bekennen en niets meer te krijgen.

We kennen het profiel van de weg die nog voor ons ligt en vrezen al een paar dagen een berg die te steil is om tegenop te fietsen. We zetten onze tent na 44 kilometer op een iets te schuine helling maar het is de laatste plek waar we nog fatsoenlijk kunnen staan want het is bijna zover, de gevreesde berg begint een kilometer of 4 verderop en daar is kamperen geen optie. We slapen gelukkig goed en beginnen uitgerust aan dag 6, de dag van de helse berg.

Op zoek naar een kampeerplekje

Als we het laatste stukje droge brood met honing hebben weggekauwd rijden we naar de voet van de berg. Als we naar boven kijken zakt de moed ons in de schoenen. In drie kilometer moeten we 450 hoogtemeters overwinnen. We zien een zandweg met stenen bedekt en eindeloze hoogte. Fietsen gaat vanaf meter 1 niet dus we duwen onze fietsen omhoog. Iedere 10-15 meter moeten we op adem komen. We zijn inmiddels op een hoogte ver boven de 3000 meter en dat is te merken. Een lichte hoofdpijn zingt door onze hoofden en we zijn razendsnel buiten adem. Na een uur kijken we naar beneden. We hebben de fietsen misschien 100 meter omhooggeduwd. We hebben 600 meter afgelegd. Het is zo zwaar dat we een te groot beroep op onze watervoorraad doen. Het lijkt erop dat we zonder water komen te zitten voordat we de top bereiken.

Als we na drie uur op twee derde van de berg zijn lukt het Nicole niet meer de zware fiets alleen omhoog te duwen. Ik duw de mijne 15 meter omhoog, zet ‘m op de standaard en loop naar beneden om samen met Nicole haar fiets naar dezelfde hoogte te duwen. En zo ploeteren we nog enkele uren voort. Niet ver onder de top drinken we onze laatste slok water. Ik maak me zorgen want ik heb geen idee wanneer de volgende stroom smeltwater zich zal aandienen. Ik hou me vast aan de wetenschap dat we na de top zullen afdalen en dat we dan eenvoudige kilometers kunnen maken die ons snel bij het begeerde water zullen brengen. 

Plotseling staan we oog in oog met een Tadzjiek die een paard aan de lijn mee omlaag voert. We stoppen en groeten elkaar zoals mensen dit hier doen. We schudden de hand en brengen de hand naar het hart. De man vraagt of we Russisch spreken en als duidelijk wordt dat we dat niet doen is er geen reden nog verder te kletsen. Ik pak mijn lege waterfles en wijs ernaar en maak een drinkbeweging. De oude Tadzjiek steekt zes vingers op en wijst naar de weg die voor ons ligt. Ik begrijp dat we over zes kilometer water bereiken. We nemen afscheid. Wij moeten nog tachtig meter naar de top, een uur duwen. Het stelt me gerust want na de top zijn die zes kilometers naar het water niet ver meer.

Net na de middag zijn we boven en uitgeput geven we elkaar een high five. Lang staan we niet stil bij het bereiken van de top want dorst maakt dat we direct beginnen aan de afdaling. De blijdschap is groot als we merken dat de oude Tadzjiek het precies bij het juiste eind had. Op zes kilometer van de top knielen we neer bij een koude stroom smeltwater en vullen onze flessen en bidons. Met grote teugen drinken we tot we eindelijk even tegen een steen aan gaan zitten en tevreden terugkijken op het slechten van de zwaarste kilometers van de Bartang vallei. Vanaf hier is het een zeer geleidelijke klim over een wonderschoon plateau. We kunnen ons geluk niet op.

Het plateau ontvouwd zich voor ons

Die middag fietsen we nog ongeveer twintig kilometer op het plateau. Er heerst daar een absolute stilte zoals wij westerlingen die niet kennen. Als ook de wind zich gedeisd houdt, weet je niet wat je hoort!

Hier heerst absolute stilte

De laatste dag door de Bartang is als rijden door het paradijs. Het fietsen gaat daar gemakkelijk en de zintuiglijke beloning van de zware dagen die achter ons liggen is overweldigend groot. De bergen hier zijn zo mooi dat je maar niet uitgekeken raakt. We fietsen en vergeten de vermoeidheid. Het gaat als vanzelf.

Die laatste dag fietsen we 75 kilometer richting Karakol. Na zeven dagen zien we weer asfalt en ook dat maakt ons gelukkig. Wat velen zien als begin van de Bartang (de meeste mensen fietsen ‘m in tegengestelde richting van Karakol naar Rushan, zodat het een lange afdaling is in plaats van een lange klim) is voor ons het eindpunt. In het zand heeft iemand, als entree, met stenen het woord Bartang neergelegd met daarbij een hartje en een grote pijl naar links. Wij stappen op het asfalt en maken er een foto van.

We hebben het ‘m geflikt!

Translate »